De lang aangekondigde hervorming van de vennootschapsbelasting komt er dankzij het grote zomerakkoord van de regering Michel. Op vrijdag 22 december 2017 werd de hervorming vennootschapsbelasting door het Parlement gestemd. Voor alle bedrijven daalt het belastingtarief stapsgewijs. Investeringen worden sterk aangemoedigd. Ook de kleine zelfstandigen krijgen een duw in de rug. Maar aangezien de hervormingsoperatie budgettair neutraal moet blijven komen er noodgedwongen ook compenserende maatregelen. Men financiert de operatie door een heroriëntering naar een rechtvaardigere fiscaliteit: beperken van aftrekposten, strengere sancties en compliance. In deze bijdrage geven wij u een definitief overzicht van het ambitieuze hervormingsplan van de regering Michel.

Boek de grote hervorming vennootschapsbelasting

Algemeen kader 

De hervormingsoperatie vennootschapsbelasting verloopt in DRIE fasen:

  1. een eerste reeks maatregelen treedt al in werking vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start vanaf 01.01.2018.
  2. Het tweede pakket maatregelen treedt in werking vanaf aanslagjaar 2020 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start vanaf 01.01.2019.
  3. Tenslotte is er een pakket maatregelen dat in werking treedt vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start vanaf 01.01.2020.

Daarnaast zijn er maatregelen genomen met een specifieke datum van inwerkingtreding zoals:

LET OP: anti-misbruikbepaling!

Elke wijziging die vanaf 26 juli 2017 ( = de datum waarop het zomerakkoord met onder meer de hervorming van de vennootschapsbelasting werd aangekondigd) aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van de gewijzigde bepalingen.

  Aanslagjaar 2019
verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start vanaf 01.01.2018
vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start vanaf 01.01.2020
Nieuw basistarief 29% 25%
Nieuw verlaagd tarief voor KMO (voor deel belastbare grondslag ≤ 100 000 EUR én onder art. 215, derde lid, 1°, 2°, 4° en 6° WIB 92 én art. 15, §§ 1-6 W.Venn) 20% 20%
Nieuwe crisisbijdrage 2% 0%
Exit taks 12,5% 15%

Maatregelen met een specifieke inwerkingtreding 

Verhoging investeringsaftrek van 20% 

Voor nieuwe investeringen gedaan vanaf 01-01-2018 tot 31-12-2019 wordt de eenmalige investeringsaftrek van 8% tijdelijk (voor 2 kalenderjaren) verhoogd naar 20%.  Het 20% tarief geldt zowel voor kleine vennootschappen (art. 15, §§1-6 W.Venn.) als voor eenmanszaken en vrije beroepen in de personenbelasting. Op die manier worden bedrijven en zelfstandigen geprikkeld om de komende 2 jaar extra te investeren.

Door de verhoogde investeringsaftrek in 2018 is de eerste reflex om geplande investeringen die recht geven op de eenmalige investeringsaftrek uit te stellen tot in 2018. Klopt dit? Lees ons blogartikel: Eind 2017 investeren of investeringen uitstellen tot in 2018?

Intrekking fiscale voordelen voor hoog technologische producten 

De voorziene verhoogde gespreide investeringsaftrek voor vaste activa "in productiemiddelen van hoogtechnologische producten" gedaan vanaf 01.01.2016, wordt ingetrokken.

Hetzelfde geldt trouwens ook voor de verhoging van de vrijstelling van de doorstortingsverplichting bij ploegen- en nachtarbeid in ondernemingen die dergelijke hoogtechnologische producten produceren.

Roerende voorheffing op kapitaalvermindering 

Een kapitaalterugbetaling wordt vanaf 2018 pro rata aangerekend op enerzijds het gestort kapitaal (geen RV) en anderzijds op de belaste reserves (al dan niet geïncorporeerd in het kapitaal) en de in kapitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserves (toepassing van RV).

Niet (onmiddellijk) uitkeerbare reserves worden echter uit die pro rata aanrekening gehouden (bv. wettelijke reserves ten belope van het wettelijk minimum, de gewone en bijzondere liquidatiereserve, voorzieningen, onderschattingen van activa en overschattingen van passiva, onbeschikbare reserves voor eigen aandelen, negatieve belaste reserves andere dan het overgedragen verlies en andere dan voortkomend uit terugbetaling van kapitaal).

De nieuwe regeling geldt niet voor de kapitaalverminderingen van vastklikkapitaal “art. 537”. De overgangsregeling voor liquidatieboni (art. 537 WIB) blijft evenwel bij voorrang gelden op deze kapitaalverminderingen.

De nieuwe regeling treft ook de uitkering van liquidatiereserve niet!

De nieuwe regeling zal gelden voor verrichtingen die worden uitgevoerd vanaf 1 januari 2018, meer bepaald op door de algemene vergadering vanaf deze datum besliste kapitaalverminderingen.

1ste Fase: vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start vanaf 01.01.2018 

Tariefdaling 

In de eerste fase wordt er naar twee nominale belastingtarieven toegewerkt: een basistarief van 29% en een verlaagd tarief van 20% op de eerste schijf belastbare grondslag tot € 100 000; voor zgn. KMO-vennootschappen. Tegelijkertijd daalt de aanvullende crisisbijdrage van 3% naar 2%.

Basistarief: 29%

Het basistarief van 33,99% (33% + 3% ACB) daalt naar 29,58% (29% + 2% ACB).

Verlaagd tarief: 20%

Voor KMO-vennootschappen bedraagt het verlaagd tarief 20,4% (20% + 2% ACB) op de eerste € 100 000 aan belastbare grondslag. KMO-vennootschappen zijn kleine vennootschappen conform art. 15, §§ 1-6 W.Venn. die bovendien voldoen aan de voorwaarden uit art. 215, derde lid, 1°, 2°, 4° en 6° WIB 92.

De definitie van kleine vennootschap (art. 15, §§ 1-6 W.Venn. ) wordt dus toegevoegd als voorwaarde voor het verlaagd tarief.  Opmerkelijk is dat de zgn. 13% dividendregel (art. 215, derde lid, 3° WIB92) wordt verlaten. Dat betekent dat kleine vennootschappen het verlaagd tarief niet zullen verliezen louter en alleen omdat ze meer dan 13% van het gestort kapitaal aan dividenden uitkeren.

Eveneens opvallend is dat voorwaarde ‘belastbaar inkomen mag niet meer zijn dan € 322 500 om van het verlaagd tarief te genieten’ geschrapt is als voorwaarde voor KMO’s. Ook KMO’s met meer dan € 100 000 belastbare winst zullen genieten van dat verlaagd tarief op hun eerste stuk winst. Enkel het deel van hun winst boven € 100 000 wordt belast tegen het gewoon tarief.

Schrapping van 0,4% tarief 

Ter vereenvoudiging wordt het minimumtarief van 0,40% op meerwaarden op aandelen gerealiseerd door grote vennootschappen (die niet voldoen aan art. 15 §§1-6 W.Venn.) afgeschaft.

Groeibedrijven 

Daarnaast maakt men het investeren in groeibedrijven fiscaal aantrekkelijker door de regels voor investeringsfondsen te versoepelen en door de belastingvermindering tax shelter toe te kennen aan particulieren die investeren in groeibedrijven. De belastingvermindering tax shelter voor startende ondernemingen zal dus in 2018 ook mogelijk worden voor bedrijven in volle groei volgens dezelfde principes als voor starters (kapitaalverhoging, inbreng in geld, nieuwe aandelen, al dan niet via een erkend crowdfundingplatform, behoudperiode van 4 jaar, ed.). Het tarief van de belastingvermindering voor startende vennootschappen bedraagt 30% of 45%. Het tarief van de belastingvermindering voor groeibedrijven bedraagt 25%.

Eenmanszaken worden geharmoniseerd op vennootschapsregeling 

Vanaf 2018 komen er maatregelen om de fiscale nadelen weg te werken die zelfstandigen nu ondervinden in vergelijking met vennootschappen:

  • Aftrekbaarheid van autokosten: ook in de personenbelasting worden autokosten voor zelfstandigen met een eenmanszaak aftrekbaar gemaakt in functie van hun CO2-uitstoot . Voor meer uitleg zie ons up-to-date blogbericht ‘Nieuwe fiscale spelregels voor personenwagens’.
  • Stopzettingsmeerwaarden: voor meerwaarden die worden verwezenlijkt of vastgesteld vanaf aanslagjaar 2019 bij de stopzetting van de éénmanszaak op een ‘gunstig moment’ (= vanaf de leeftijd van 60 jaar, of wegens overlijden of in het kader van een gedwongen definitieve stopzetting) wordt het belastingtarief 10%. Concreet:
    • voor meerwaarden op immateriële vaste activa, binnen de viergrens: 10% (stuk erboven blijft progressief)
    • voor meerwaarden op alle andere activa (dus niet alleen op materiële vaste activa, maar ook op bv. voorraden en handelsvorderingen): 10%.
    • voor stopzettingsmeerwaarden op financiële vaste activa en andere aandelen zal het tarief van 10% enkel gelden in zoverre het belastbaar bedrag ervan hoger is dan het totale bedrag van de minderwaarden die er vroeger op aangenomen zijn.
  • Kostenforfait voor winstenbehalers zoals voor werknemers: om eenmanszaken (winstenbehalers) te ondersteunen wordt een kostenforfait ingevoerd dat gelijk is aan dat van werknemers: vanaf 1 januari 2018 een uniform tarief van 30% met een maximum van € 2 950 (nog te indexeren). Dat kostenforfait is het minimumbedrag waarop de belastingplichtige die winsten ontvangt recht heeft, ongeacht de kosten die uit de boekhouding blijken.
  • Zelfstandigen met een eenmanszaak krijgen vanaf aanslagjaar 2019 de mogelijkheid om in de tweede pensioenpijler een extralegale pensioenopbouw te doen (naast het vrij aanvullend pensioen) naar het voorbeeld van de IPT-verzekering voor bedrijfsleiders van vennootschappen. Men noemt dit de POZ. De premies geven recht op een belastingvermindering van 30% met een gunstige eindbelasting.
  • Investeringsaftrek: ook voor zelfstandigen stijgt de eenmalige investeringsaftrek van 8% naar 20% voor investeringen tussen 01.01.2018 en 31.12.2019, zoals hierboven reeds aangehaald.

Vrijstelling doorstorting BV 

Vanaf 2018 zal de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor wetenschappelijk onderzoek gefaseerd uitgebreid worden naar volgende bachelordiploma’s:

  • biotechniek
  • industriële wetenschap en technologie, en nautische wetenschappen
  • productontwikkeling
  • handelswetenschappen en bedrijfskunde, evenwel beperkt tot de opleidingen die in hoofdzaak zijn gericht op informatica.

Voor 2018-2019 bedraagt de vrijstelling 40%. Vanaf 2020 wordt de vrijstelling verhoogd tot 80%.

Aan derden doorgerekende autokosten 

Vanaf aanslagjaar 2019 zijn de autokosten van personenwagen, auto dubbel gebruik, minibussen die “in detail” (d.w.z. op onverbloemde wijze en voor hetzelfde bedrag) doorgerekend worden aan derden, voor 100% aftrekbaar bij degene die doorrekent mits deze kosten uitdrukkelijk en afzonderlijk op factuur zijn vermeld. De fiscale aftrekbeperking van de doorgerekende autokosten dient te gebeuren bij de derde aan wie de kosten zijn doorgerekend.

Kosten van vervangwagens 

Vanaf aanslagjaar 2019 zal de aftrek van de autokosten niet worden beperkt in hoofde van de garagehouders en verhuurbedrijven mits de personenwagens uitsluitend worden verhuurd aan derden (ongeacht of ze deze wagen in eigendom hebben of zelf hebben gehuurd). De aftrekbeperking zal wel moeten gebeuren door de eindgebruiker van deze voertuigen.

Notionele interestaftrek 

De notionele interestaftrek (NIA) blijft bestaan maar in een ingeperkte vorm.

Vanaf aanslagjaar 2019 zal de notionele interestaftrek niet meer toegekend worden op basis van het totale bedrag aan eigen vermogen maar op basis van de aangroei van het eigen vermogen, het zgn. “incrementeel” eigen vermogen. Dat is een vijfde van het positief verschil tussen het risicokapitaal van het belastbaar tijdperk en het risicokapitaal van het vijfde voorgaande belastbaar tijdperk.

Opmerking. Het belang van de notionele interestaftrek was al sterk afgezwakt door de zeer lage rentevoet. Door het systeem te hervormen vermijdt de regering dat de aftrekpost weer aan belang wint als de rente opnieuw omhoog gaat.

Investeringsreserve 

De aanleg van investeringsreserve (art. 194quater WIB 92) wordt afgeschaft vanaf aanslagjaar 2019, met een uitdoofscenario voor de bestaande investeringsreserves.

Lees meer in ons blogbericht: Is de vrijgestelde investeringsreserve plots interessant?

Korf minimale belastbare basis 

Vanaf aanslagjaar 2019 komt er een zgn. minimumwinstbelasting.

Naar analogie met Duitsland en andere EU landen wordt het gebruik van overgedragen verliezen (en bij uitbreiding andere overgedragen componenten) beperkt in functie van het resultaat van het jaar.

De aftrekposten vorige verliezen, overgedragen DBI, overgedragen aftrek voor innovatie-inkomsten, overgedragen NIA en de nieuwe incrementele NIA worden elk jaar beperkt tot een bepaalde “korf”.

De aftrekken die niet konden worden afgetrokken door de korfbeperking blijven overdraagbaar zoals dat vandaag het geval is.

Voor kleine vennootschappen (op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6, W. Venn.) worden de overgedragen verliezen gedurende de eerste vier belastbare tijdperken vanaf haar oprichting (waarbij in geval van overname eenmanszaak of andere vennootschap men begint te tellen vanaf eerste inschrijving in KBO of neerlegging oprichtingsakte van overgenomen vennootschap) niet onderworpen aan die beperking.

Deze “korf” is beperkt tot 1 miljoen euro + 70% op het saldo belastbare winst dat overblijft na de investeringsaftrek. Dit impliceert dat 30% van de winst bovenop het bedrag van 1 miljoen euro een minimale belastbare basis in de vennootschapsbelasting vormt.

Nieuwe aanrekeningsvolgorde van aftrekken
vanaf aanslagjaar 2019
Beperking
Niet belastbare bestanddelen  
DBI van het jaar zelf Overgedragen DBI verhuist naar de korf
Aftrek van groepsbijdrage (vanaf aanslagjaar 2020) Nieuwe toegevoegde aftrek m.b.t. fiscale consolidatie
Aftrek octrooi-inkomsten (overgangsregeling t.e.m. 30/06/2021)  
Aftrek innovatie-inkomsten  
Investeringsaftrek  
SALDO 
Notionele interestaftrek (incrementeel) Deze aftrekken worden samen beperkt in een korf die maximaal gelijk is aan 1 000 000 + 70 % op het saldo belastbare winst dat overblijft na de investeringsaftrek
Overgedragen DBI
Overgedragen aftrek voor innovatie-inkomsten
Overgedragen vorige verliezen (onbeperkt)
Overgedragen NIA (onbeperkt)
Overgedragen NIA (7 jaar)

Bestrijden van “vervennootschappelijking” 

1/ Verhoging van de minimale bedrijfsleidersbezoldiging naar € 45 000

Vanaf aanslagjaar 2019 (verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start vanaf 01.01.2018) wordt de minimale bedrijfsleidersbezoldiging (art. 215, derde lid, 4° WIB 92) verhoogd van € 36 000 naar € 45 000 als één van de voorwaarden voor het verlaagd KMO-tarief.

  • Uitzondering 1: indien de belastbare winst < € 45 000, dan moet de minimale bedrijfsleidersbezoldiging minstens gelijk zijn aan het belastbaar resultaat van de vennootschap.
  • Uitzondering 2: kleine (art. 15 §§ 1 tot 6 W. Venn.) vennootschappen zijn uitgezonderd van deze verplichting van minimum bedrijfsleidersbezoldiging gedurende hun eerste 4 belastbare tijdperken vanaf hun oprichting (waarbij in geval van overname eenmanszaak of andere vennootschap men begint te tellen vanaf eerste inschrijving in KBO of neerlegging oprichtingsakte van overgenomen vennootschap).

Voorbeeld:

Een BVBA heeft, na aftrek van een bezoldiging aan haar zaakvoerder van € 20 000 ; een belastbaar resultaat van € 50 000. Het belastbaar resultaat, verhoogd met de bezoldiging, bedraagt derhalve  € 70 000. De minimaal vereiste bezoldiging bedraagt dus  70 000/2 = € 35 000.

Voorbeeld:

Een BVBA heeft, na aftrek van een bezoldiging aan haar zaakvoerder van € 10 000 een belastbaar resultaat van € 30 000. Het belastbaar resultaat, verhoogd met de bezoldiging, bedraagt derhalve € 40 000. De minimaal vereiste bezoldiging bedraagt dus  40 000/2 = € 20 000.

2/ Bijzondere aanslag bij tekort aan bedrijfsleidersbezoldiging

Vanaf aanslagjaar 2019 (verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start vanaf 01.01.2018) wordt een bijzondere aanslag van 5,1% opgelegd voor elke vennootschap die geen of te weinig bedrijfsleidersbezoldiging uitkeert. Vanaf aanslagjaar 2021 bedraagt deze sanctie 10%.

Deze bijzondere aanslag zal aftrekbaar zijn als beroepskost.

Het criterium “géén of te weinig bedrijfsleidersbezoldiging” wordt getoetst aan de (aangepaste) verhoogde bezoldigingsregel van € 45 000 tenzij de belastbare winst lager is dan € 45 000 (dan volstaat een bezoldiging gelijk aan minstens die belastbare winst).

De aanslag van 5,1% (10% vanaf aanslagjaar 2021) wordt berekend op het “tekort” aan uitgekeerde bezoldiging.

Voorbeeld:

Een BVBA (niet verbonden met andere vennootschappen) heeft, na aftrek van een bezoldiging aan haar zaakvoerder van € 10 000 een belastbaar resultaat van € 50 000. Het belastbaar resultaat, verhoogd met de bezoldiging, bedraagt derhalve € 60 000. De minimaal vereiste bezoldiging bedraagt dus  60 000/2 = € 30 000. De winst van € 50 000 zal belast worden tegen het basistarief. Bovendien zal deze vennootschap gesanctioneerd worden met de heffing van € 1 020 (20 000  × 5,1%) voor aanslagjaar 2019.

Uitzondering: kleine (art. 15 §§ 1 tot 6 W. Venn.) vennootschappen worden niet getroffen door deze afzonderlijke aanslag gedurende hun eerste 4 belastbare tijdperken vanaf hun oprichting (waarbij in geval van overname eenmanszaak of andere vennootschap men begint te tellen vanaf eerste inschrijving in KBO of neerlegging oprichtingsakte van overgenomen vennootschap).

Voor de verbonden vennootschappen (in de zin van art. 11 W. Venn.) waarvan minstens de helft van de bedrijfsleiders dezelfde personen zijn in ieder van de betrokken vennootschappen, kan om de hoogte van de bezoldiging te bepalen het totaal van de door deze vennootschappen aan een van diezelfde personen gestorte bezoldigingen gezamenlijk in aanmerking worden genomen. Het totaal van het bedrag van de minimum bezoldiging wordt in dat geval op 75 000 euro gebracht.

De afzonderlijke aanslag is in bovenstaand geval (tekort op groepsniveau) verschuldigd door de verbonden vennootschap met het hoogste belastbaar resultaat, tussen de bedoelde verbonden vennootschappen die niet voldoen aan de bezoldigingsvoorwaarde.

Effectieve belasting op supplement naar aanleiding van controle 

Voor controles die worden gedaan vanaf het aanslagjaar 2019 wordt een effectieve taxatie met te betalen belasting toegepast in het geval er een supplement gevestigd wordt. Dit wil zeggen dat de belastingplichtige ook als hij overgedragen verliezen of andere overgedragen componenten heeft (maar niet van toepassing voor DBI van het jaar zelf!), effectief belasting zal dienen te betalen indien er een extra aanslag voortvloeit uit een controle. Dus niet bij spontane aanpassingen van de aangifte.

Deze effectieve belasting is van toepassing indien er een belastingverhoging effectief wordt toegepast. In de gevallen waar een belastingverhoging van 10% van toepassing is maar deze niet effectief wordt toegepast (bij ontstentenis van kwade trouw, bv. bij principiële discussies) zal indien het een eerste overtreding betreft, de effectieve te betalen belasting geen toepassing vinden en kan de belastingplichtige wel de overgedragen bestanddelen afzetten tegen de taxatie.

In de andere gevallen (verhoging van 20% of meer of 10% met kwader trouw) zal er steeds effectief belasting betaald dienen te worden door de belastingplichtige.

Bij fraude is de belastingverhoging steeds 50% en valt dus onder de nieuwe regeling.

Verstrenging verwezenlijkte meerwaarde op aandelen door invoering DBI-participatievoorwaarde 

Het minimum tarief van 0,40 % + 3% ACB voor grote vennootschappen wordt afgeschaft, ter vereenvoudiging van de regeling.

Bovendien worden de DBI-voorwaarden en de vrijstellingsvoorwaarden voor verwezenlijkte meerwaarden op elkaar afgesteld. Afstemming met DBI-voorwaarden heeft tot gevolg dat ook een participatie van 10% of 2,5 miljoen euro voorhanden moet zijn voor vrijstelling. Dat is slecht nieuws voor vennootschappen die slechts in kleine participaties beleggen. Zij zullen die aandelen niet langer belastingvrij kunnen verkopen.

Fase 1 hervorming
Aanslagjaar 2019 en 2020
Taxatie- en participatievoorwaarde voldaan Taxatie- en/of participatievoorwaarde
NIET voldaan
Houdduur < 1 jaar 25,50%
20,40% voor deel belastbare grondslag ≤ € 100 000 (KMO)
standaardtarief 29,58%
20,40% voor deel belastbare grondslag ≤ € 100 000 (KMO)
Houdduur ≥ 1 jaar vrijstelling
Fase 3 hervorming
Vanaf aanslagjaar 2021
Taxatie- en participatievoorwaarde voldaan Taxatie- en/of participatievoorwaarde
NIET voldaan
Houdduur < 1 jaar standaardtarief 25%
20% voor deel belastbare grondslag ≤ € 100 000 (KMO)
standaardtarief 25%
20% voor deel belastbare grondslag ≤ € 100 000 (KMO)
Houdduur ≥ 1 jaar vrijstelling

Hervorming moratorium- en nalatigheidsinteresten 

Het tarief van de nalatigheidsinteresten zal minimaal 4 pct. bedragen en maximaal 10 pct en zal jaarlijks worden herzien op basis van de hoogte OLO op 10 jaar van de maanden juli, augustus en september.

Het tarief van de moratoriuminteresten bedraagt steeds 2 pct. minder.

Inschakelingsbedrijven: wegwerken dubbele vrijstelling + beperken algemene winstvrijstelling 

Inschakelingsbedrijven kunnen momenteel hun belastbare winstaangroei vrijstellen (art. 67 wet van 26/3/1999) in combinatie met vrijstelling voor de ontvangen gewestelijke tewerkstellings- en beroepsoverstappremies (art. 193bis WIB 92). Deze combinatie heeft een tijdelijk dubbele vrijstelling tot gevolg. Om dit te vermijden wordt het stelsel vanaf 2018 op 2 punten aangepast:

  • Technische aanpassing: de belastingvrije premies van het gewest kunnen geen tweede keer vrijgesteld worden als vrijgesteld bestanddeel.
  • Inhoudelijke aanpassing: de vrijstelling van de winst zal per werknemer uit de doelgroep die effectief wordt tewerkgesteld tijdens het belastbaar tijdperk worden beperkt tot het bedrag van het brutoloon van de aangeworven werknemer, met een minimum van € 7 440 (niet-geïndexeerd bedrag, jaarlijks te indexeren) per werknemer uit de doelgroep die effectief wordt tewerkgesteld tijdens het belastbaar tijdperk.

De vrijstelling vervalt indien en in de mate dat vrijgestelde winst wordt uitgekeerd.

De vrijstelling van de winst kan niet gecombineerd worden met de vrijstellingen van art. 67, 67bis en 67ter WIB 92.

Verhoging van de sanctie bij niet-aangifte vennootschapsbelasting 

Vanaf 2018 komt er een stapsgewijze verhoging van de minimum belastbare winst van 19 000 tot € 40 000 als sanctie bij niet-indiening van de aangifte vennootschapsbelasting (art. 182, § 2, KB/WIB 92). en volgt daarmee de dalende evolutie van het nominaal tarief van de vennootschapsbelasting.

Voor 2018-2019 wordt het bedrag van de belastbare forfaitaire minimumwinsten van € 19 000 (artikel 182, § 2, KB/WIB 92) opgetrokken tot € 34 000. Dit bedrag wordt in 2020 opgetrokken tot € 40 000.

Deze sanctie voor niet aangifte leidt gedurende de drie hervormingsjaren dan telkens tot een te betalen bedrag vennootschapsbelasting van ca. € 10 000, nl:

Jaar Minimum belastbare basis Tarief Te betalen
2018 34 000,00 29,58 % € 10 057,20
2019 34 000,00 29,58 % € 10 057,20
2020 40 000,00 25 % € 10 000,00

De sanctie zal bovendien verder worden verhoogd in het geval van een tweede, derde, vierde en volgende inbreuk met respectievelijk 25%, 50%, 100% en 200% (dit dient via KB te gebeuren). Het nieuwe bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd vanaf 2021. De bestaande administratieve tolerantie tot rechtzetting tijdens de bezwaartermijn blijft behouden.

De bijzondere forfaits voor bepaalde sectoren zullen ook worden herzien (via KB).

Voorafbetalingen: niet voorafbetalen wordt pak duurder voor vennootschappen 

Artikel 163 WIB 92 dat nu nog bepaalt dat er geen vermeerdering verschuldigd is als het bedrag ervan lager is dan 0,5% van de belasting waarop ze is berekend of lager dan € 80 (geïndexeerd bedrag), wordt geschrapt voor vennootschappen. De vermeerdering zal voor vennootschappen m.a.w. altijd worden toegepast.

De bestaande berekening van de vermeerdering blijft behouden (2,25 × basisrentevoet) maar de basisrentevoet die thans minstens 1% bedraagt, wordt “minstens 3%” De belastingvermeerdering voor vennootschappen is dus minstens 6,75%. Het niet tijdig vooraf betalen door vennootschappen wordt dus een pak duurder.

Kleine vennootschappen (art. 15 §§ 1 tot 6 W. Venn.) worden gedurende de eerste 3 boekjaren vanaf de oprichting uitgesloten van de vermeerdering.

Lees ons blogbericht: Voorafbetalingen aanslagjaar 2019

Geen integrale aftrek meer van vooruitbetaalde kosten 

Vanaf aanslagjaar 2019 (verbonden aan belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 01.01.2018)  zijn vooruitbetaalde kosten in de vennootschapsbelasting niet meer integraal aftrekbaar in het jaar van hun vooruitbetaling maar enkel voor het gedeelte dat betrekking heeft op dat jaar zelf conform de boekhoudwet.  Op die manier wil de regering de mogelijkheid vermijden om “vooruitbetaalde kosten” integraal af te trekken in het jaar van de betaling.

Lees ons blogbericht: Vooruitbetaalde kosten: nu of nooit meer!

Beperking voorziening voor risico’s en kosten 

Inzake vennootschapsbelasting blijft de vrijstelling voor voorzieningen voor risico’s en kosten enkel bestaan voor risico’s en kosten die voorvloeien uit op een balansdatum bestaande contractuele, wettelijke of reglementaire verplichtingen andere dan de verplichtingen die voortvloeien uit de toepassing van een boekhoudkundige of jaarrekeningrechtelijke reglementering.

Dit houdt dat in dat voorzieningen voor risico’s en kosten die niet zijn voorzien door andere contractuele, wettelijke of reglementaire verplichtingen dan de verplichtingen inzake het boekhoudrecht, fiscaal niet meer vrijstelbaar zullen zijn.

De vrijstelling blijft behouden voor voorzieningen voor contractuele, wettelijke en reglementaire verplichtingen (andere dan de verplichtingen die voorvloeien uit de toepassing van de boekhoudwetgeving) zoals bv. voorziening voor garantieverplichtingen, voorziening voor ontslaguitkeringen na betekening van het ontslag of werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT), voorziening voor milieuverplichtingen (bv. voorzieningen voor asbestverwijdering of voor de sanering van door tankstations gebruikte gronden) indien een decreet of een besluit van een gewestelijke regering dit soort verplichting voorziet, voorziening voor hangende geschillen voortkomende uit door de vennootschap omschreven wettelijke of contractuele verplichtingen, …

Ook de voorziening die kan worden aangelegd bij vergoeding voor een schadegeval waartegen men verzekerd is, ten belope van de kost van het herstel, wordt behouden (art. 25 KB/WIB).

Wat betreft de voorzieningen voor herstellingen en groot onderhoud wordt dus niet langer voorzien in een mogelijkheid tot vrijstelling. Dergelijke kosten zijn immers kosten die vrijwillig worden aangegaan en zijn onder meer afhankelijk van de uiteindelijke beslissing om de kost al dan niet te doen en van het behoud van het actief in het patrimonium.

De nieuwe bepalingen zullen van toepassing zijn op voorzieningen die worden aangelegd vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 1 januari 2018, met inbegrip van vanaf die datum gedane toevoegingen aan bestaande voorzieningen.

De beperking is dus niet van toepassing op voorzieningen of toevoegingen aan voorzieningen die zijn aangelegd in belastbare tijdperken die aanvangen voor 1 januari 2018.

Taxatie van vrij te stellen meerwaarde (art. 47, 44bis, 44 ter,… WIB 92) 

Anticipatief (voorafgaand aan de tariefverlaging van de vennootschapsbelasting) zou men geneigd zijn om verwezenlijkte meerwaarden niet meteen in de belastbare winst op te nemen, maar deze gespreid te laten belasten of deze volledig vrij te stellen in het kader van een herbeleggingsregeling, zelfs indien men niet het oogmerk heeft om effectief te herinvesteren. Dit komt doordat bij een spontane belastbaarstelling van de meerwaarde, voordat de herbeleggingstermijn is verstreken, vandaag geen nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn.

Om dit te voorkomen, zal voorzien worden dat deze meerwaarden (aangelegd in een belastbaar tijdperk dat ten vroegste op 1 januari 2017 en ten laatste op 30 december 2020 afsluit), die vervolgens belastbaar worden gesteld wegens het niet herbeleggen binnen de wettelijk voorziene voorwaarden en termijn, alsook de meerwaarden die in dit kader spontaan worden belastbaar gesteld vóór het verstrijken van de herbeleggingstermijn, steeds worden belast tegen het nominale tarief van de vennootschapsbelasting dat van toepassing was op het moment dat de meerwaarde verwezenlijkt werd.

Bovendien zullen voortaan ook nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn in geval van spontane belastbaarstelling van de meerwaarde.

Verhoging DBI-aftrek van 95% naar 100% 

De DBI-aftrek wordt in fase 1 algemeen uitgebreid van 95 naar 100%.

Inwerkingtreding. Deze verhoging treedt in werking vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 1 januari 2018.

Beperking DBI-overschotten bij reorganisaties conform overgedragen verliezen 

Na een inbreng van een bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid of van een algemeenheid van goederen, of na een fusie, splitsing of ermee gelijkgestelde verrichting, moet de overnemende of verkrijgende vennootschap voor zowel de eigen beroepsverliezen, als deze geleden bij de overgenomen, gesplitste of inbrengende vennootschap een proportionele verliesoverdracht toepassen.

Vanaf aanslagjaar 2019 wordt de aftrekbaarheid van DBI-overschotten bij van een van de hierboven vermelde verrichtingen op dezelfde wijze beperkt als voor verliezen vandaag het geval is. Er zal echter maar overgegaan worden tot beperking van de overgedragen DBI-aftrek wanneer er geen overgedragen verliezen meer te beperken zijn, waardoor deze maatregel de overgedragen DBI-aftrek nooit nadeliger zal behandelen dan de overgedragen verliezen.

Bij fusies en splitsingen wordt deze beperking van de DBI-overschotten in de praktijk al toegepast door de rulingdienst in hoofde van de overgenomen vennootschap.

Tax shelter audiovisuele werken of podiumkunsten 

In het kader van de tax shelter voor de filmindustrie en de podiumkunsten worden de volgende wijzigingen aangebracht om rekening te houden met de nieuwe tarieven inzake vennootschapsbelasting:

  Voorlopige vrijstelling Definitieve vrijstelling Fiscaal rendement
Aanslagjaar 2018 310% × investering 150% × fiscale waarde attest 5,27%
Aanslagjaar 2019 356% × investering 172% × fiscale waarde attest 5,30%
Aanslagjaar 2020 421% × investering 203% × fiscale waarde attest 5,25%

2de Fase: vanaf aanslagjaar 2020 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start vanaf 01.01.2019 

Fiscale consolidatie van groepsverliezen 

De regeling voor groepsbijdragen laat, onder bepaalde voorwaarden, de "verschuiving" toe van de winst tussen de entiteiten van dezelfde groep en moet de groepen van vennootschappen in de mogelijkheid stellen om een correcte compensatie te waarborgen tussen de winst die werd verwezenlijkt door sommige entiteiten binnen de groep en de verliezen die door andere entiteiten geleden werden.

Vermogensneutraliteit tussen de vennootschappen wordt behouden door een vergoeding die een vennootschap aan de andere vennootschap zal dienen te betalen als tegenprestatie voor het belastingvoordeel dat op het verlies rust dat wordt overgenomen via de regeling.

Begrip “vaste inrichtingsproblematiek” economische invulling geven 

Definitie van Belgische vaste inrichting werd verruimd met zgn. commissionairs, indien zij in eigen naam optreden, maar nauw verbonden zijn met een buitenlandse vennootschap waarvoor zij in België optreden. Dit geeft een invulling aan BEPS-actiepunt 7.

Verder wordt gepreciseerd dat de definitie voorts op basis van de werkzaamheden binnen de OESO en EU verder zal worden bijgewerkt om een betere nexus voor taxatie te creëren voor de digitale economie. In de EU wordt momenteel gewerkt aan een voorstel tegen het eind van het jaar, om ook over te maken aan de OESO. Een nieuw interim-rapport van de OESO hieromtrent wordt in de loop van 2018 verwacht.

Verstrenging internationale verliesverrekening vaste inrichtingen 

Verliezen van buitenlandse vaste inrichtingen waarvan de winst bij verdrag wordt vrijgesteld in België zullen voortaan enkel nog in België aftrekbaar zijn voor zover deze “definitief zijn” en geleden zijn in de EER. Dit is het geval indien de inrichting wordt gesloten en de verliezen niet meer kunnen worden afgetrokken in dat land op winsten van een andere inrichting of persoon.
Indien de inrichting binnen de 3 jaar opnieuw activiteiten opstart binnen die Staat, wordt het verlies in België teruggenomen.

Hybride mismatches 

Artikel 9 van de ATAD 1-richtlijn, als gewijzigd door de ATAD 2-richtlijn, bepaalt dat volgende hybride mismatches (nl. dubbele aftrek of aftrek zonder corresponderende belasting) die ontstaan tussen gelieerde ondernemingen of uit hoofde van een gestructureerde regeling (i.e. een regeling die opgezet opgesteld rekening houdend met het voordeel van deze mismatch), als volgt moeten worden vermeden:

  • aftrek zonder betrekking in de heffing: weigering van de aftrek in de staat van de betaler en indien dit niet gebeurt, in tweede instantie, betrekking in de winst in de staat van de ontvanger;
  • dubbele aftrek: weigering van de aftrek in de staat van de investeerder en indien dit niet gebeurt, in tweede instantie, weigering van aftrek in de staat van de betaler).

De richtlijn voorziet bijzondere regels voor mismatches door een omgekeerde hybride (“reverse hybrid mismatches”), mismatches door fiscaal inwonerschap (“tax residency mismatches”) en “imported mismatches”.

Ter omzetting van de richtlijn, zal wanneer een hybride overdracht opgezet is om in hoofde van een belanghebbende tot een aftrek te leiden zonder overeenstemmende belastingheffing in hoofde van een andere belanghebbende, naargelang het geval, de aftrek geweigerd worden of het inkomen belast worden.

Tevens wordt voorzien in een beperking van de verrekening van het FBB bij hybride overdrachten die zodanig zijn opgezet dat ze tot meervoudige belastingkredieten leiden in verscheidene rechtsgebieden ter zake van dezelfde bronheffing.

Invoeren wetgeving CFC 

Optie 2 uit de ATAD-richtlijn (transactional approach) wordt omgezet. België dient op basis van deze optie de niet-uitgekeerde winst van een CFC-entiteit te belasten uit kunstmatige constructies die als wezenlijk doel hebben belastingvoordelen te verkrijgen. Deze buitenlandse winst zal in de belastinggrondslag van de binnenlandse belastingplichtige worden opgenomen (overeenkomstig artikel 7, lid 2, b) van de ATAD-richtlijn).

Een constructie of een reeks constructies wordt als kunstmatig aangemerkt in de mate dat activa en risicoʼs werden weggeleid naar een buitenlandse CFC (zodat de inkomsten binnen die CFC vallen), terwijl in België nog steeds de belangrijkste beslissingen worden genomen met betrekking tot de activa en risicoʼs die die inkomsten voortbrengen.

Een constructie is kunstmatig indien activa en risico’s werden weggeleid naar een buitenlandse CFC (zodat de inkomsten binnen die CFC vallen), terwijl in België nog steeds de belangrijkste beslissingen worden genomen met betrekking tot de activa en risicoʼs die die inkomsten voortbrengen.

Een CFC is een entiteit of vaste inrichting die aan volgende voorwaarden voldoet:

  1. In het geval van een entiteit: een entiteit waarvan een binnenlandse belastingplichtige (alleen of met zijn verbonden ondernemingen) rechtstreeks of onrechtstreeks over meer dan 50% beschikt van de stemrechten of van het kapitaal, of recht heeft op meer dan 50% van de winst.
  2. De door de entiteit of vaste inrichting daadwerkelijke betaalde vennootschapsbelasting op de winsten is lager dan het verschil tussen (a) de vennootschapsbelasting die in België zou zijn betaald overeenkomstig de Belgische fiscale wetgeving en (b) de door de entiteit of vaste inrichting daadwerkelijk betaalde vennootschapsbelasting

Voorbeeld:

De daadwerkelijk betaalde ven.b in het buitenland is 10. In België zou de ven.b 25 bedragen. 25-10 = 15 => is hoger dan 10 => toepassing CFC-regeling

De daadwerkelijk betaalde ven.b in het buitenland is 20. In België zou de ven.b 25 bedragen. 25-20 = 5 => is lager dan 20 => geen toepassing CFC-regeling

Zeteloverbrengingen naar België 

Volgende door de ATAD-richtlijn bedoelde verrichtingen worden voor overdrachten vanaf 1 januari 2019 bijkomend in de vennootschapsbelasting geviseerd:

  1. de overdracht van één of meerdere bestanddelen verbonden aan een buitenlandse inrichting waarvan de winst in België wordt vrijgesteld krachtens een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting naar de Belgische maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting, de zetel van bestuur of beheer of een andere Belgische inrichting;
  2. de overdracht van één of meerdere bestanddelen van het actief van de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer van een buitenlandse vennootschap naar een Belgische inrichting
  3. de overdracht van één of meerdere bestanddelen van het actief van een buitenlandse inrichting naar een Belgische inrichting, voor zover deze buitenlandse inrichting en deze Belgische inrichting deel uitmaken van dezelfde buitenlandse vennootschap;
  4. de overdracht van één of meerdere bestanddelen van het actief die blijvend worden aangewend door een buitenlandse inrichting van een buitenlandse vennootschap in het geval deze inrichting naar België wordt verplaatst en ten gevolge hiervan wordt beschouwd als een Belgische inrichting.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen twee gevallen, met name:

  • in het geval waarbij België naar aanleiding van de verrichting de heffingsbevoegdheid over de bestanddelen verwerft en een actief wordt overgedragen dat door een andere Staat aan een exitheffing wordt onderworpen zal België deze waarde in de (onder bepaalde voorwaarden) aanvaarden, waardoor de vennootschap op deze waarde kan afschrijven;
  • indien daarentegen het bestanddeel niet aan een exitheffing onderworpen wordt zullen de afschrijvingen slechts in aanmerking worden genomen indien ze gegrond zijn op de aanschaffingswaarde, ongeacht of de belastingplichtige de werkelijke waarde al dan niet kan aantonen.

Zo wordt een dubbel fiscaal voordeel vermelden in het geval de meerwaarden bij vertrek niet aan de belasting worden onderworpen.

Exit taxatie 

Wat concreet wijzigt is dat voortaan ook ingeval een overdracht van een Belgische vennootschap aan een van haar buitenlandse vaste inrichtingen ook exit-taks van toepassing zal zijn.

(Vandaag kennen we al een exit taks bij verplaatsing van de zetel van de vennootschap naar het buitenland of overdrachten van activa van een Belgische vaste inrichting naar het buitenland).

Step-up: De richtlijn verplicht ook de Belgische regels voor step-up te herzien. Indien de overdracht in het buitenland belast wordt (met uitzondering van overdrachten vanuit belastingparadijzen) zal voortaan een volledige step-up gelden. Deze step-up zal ook gelden voor overdrachten vanuit een niet EU-lidstaat (uitgezonderd de overdrachten vanuit belastingparadijzen), voor zover met dat land uitwisseling van fiscale inlichtingen mogelijk is op grond van een bilateraal akkoord of een bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument. Op deze manier wordt dubbele belasting vermeden ingeval van onder meer immigratie van vennootschappen naar België en wordt een belangrijk fiscaal obstakel voor investering in België opgeheven.

3de fase: vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start vanaf 01.01.2020 

Verdere tariefdaling 

Vanaf aanslagjaar 2021 (verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start vanaf 01.01.2020) daalt het basistarief van 29% naar 25%.

Het KMO-tarief van 20% blijft behouden voor de eerste schijf belastbare grondslag tot € 100 000.

Vanaf aanslagjaar 2021 (verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start vanaf 01.01.2020) wordt voor alle vennootschappen de 2% crisisbijdrage volledig afgeschaft.

De exit taks wordt vanaf aanslagjaar 2021 (verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start vanaf 01.01.2020) 15%.

Beperking van de aftrekbaarheid van de interesten op vreemd vermogen (ATAD– interestaftrek) 

Omzetting van de interestbeperking op basis van de EBITDA uit de ATAD-Richtlijn. De invoering gebeurt volgens deze technische modaliteiten:

Een overgangsmaatregel wordt voorzien m.b.t. interesten betaald voor leningen die voor 17 juni 2016 zijn gesloten. Deze vallen buiten het toepassingsgebied van deze maatregel. Om een vacuüm te vermijden zal de huidige 5/1- thin cap-regeling blijven gelden voor de interesten van de leningen die onder deze overgangsregeling vallen (uitdovend).

De interesten blijven (zonder deze bijkomende beperking) aftrekbaar ten belope van € 3 000 000. 
Belgische vennootschappen die deel uitmaken van een groep dienen hun EBITDA op geconsolideerd niveau (ah-hoc consolidatie) te beschouwen. In dat geval geldt het bedrag van € 3 000 000 slechts 1 maal (op geconsolideerd niveau) met betrekking tot de geconsolideerde interesten.

Disconto op schulden 

Voortaan zal het in resultaat nemen van een disconto voor schulden met betrekking tot niet-afschrijfbare activa, niet langer als aftrekbare kost worden aanvaard.

Vandaag werd deze techniek vaak toegepast met betrekking tot niet-afschrijfbare activa zoals aandelen of antiek.

Mobiliseren van vrijgestelde reserves 

Vennootschappen met vrijgestelde reserves worden tijdelijk (in 2020 en 2021) aangezet deze bedragen om te zetten in “gewone” belaste reserves aan een verlaagd tarief.

De vrijgestelde reserves die voor deze regeling in aanmerking komen, zijn deze die bestonden voor belastbare tijdperken die afsluiten vóór 1 januari 2017.

Het betreft een tijdelijke maatregel voor een periode van 2 jaar waarbij op het omgezette bedrag een vennootschapsbelastingstarief geldt van 15%.

Voor het gedeelte van de opnemingen dat overeenstemt met investeringen die tijdens het belastbaar tijdperk zijn verricht geldt een vennootschapsbelastings-tarief van 10%, indien deze zijn verricht in:

  • materiële vast activa andere dan deze welke vermeld zijn in art. 75, 5° WIB 92, of immateriële vast activa;
  • die afschrijfbaar zijn;
  • en die niet als herbelegging worden aangemerkt krachtens de artikelen 44bis, 44ter , 47, 194quater , 205/4, § 5 WIB 92 en 122, § 2 van de Programmawet van 2 augustus 2002.

Geen van de bij de artikelen 199 tot 206 WIB 92 bepaalde aftrekken noch compensatie met het verlies van het belastbaar tijdperk mag worden verricht. Deze maatregel geldt als een minimale belastbare grondslag. In afwijking van artikel 276 WIB 92 mogen geen voorheffingen, geen FBB en geen belastingkredieten worden verrekend worden.

De vermeerdering wegens onvoldoende voorafbetalingen is van toepassing.

Verduidelijken criterium marktrente 

Het onduidelijke criterium “marktrente” als maximum interestvergoeding voor de creditstand R/C in het kader van de herkwalificatie van interesten in dividenden en in het kader van de aftrekbaarheid van de interesten wordt vervangen door een duidelijke rentevoet. Een gelijkaardige regeling zal via KB worden uitgewerkt voor wat betreft de debetinteresten R/C. Deze regeling geldt niet voor cash-poolingovereenkomsten.

Van de gelegenheid werd gebruik gemaakt om ook het begrip “geldlening” te verduidelijken.

Wijziging afschrijvingsregimes 

Het degressief afschrijvingsstelsel (art. 64 WIB 92) wordt opgeheven in de vennootschapsbelasting.
Pro-rata temporis afschrijven in het jaar van de investering wordt voortaan ook verplicht voor kleine vennootschappen (art. 196, § 2 WIB 92).

Bovendien wordt een administratieve vereenvoudiging aangebracht voor kleine vennootschappen. Zij mogen bij de aankoop komende kosten ofwel ineens aftrekken ofwel afschrijven, maar indien zij voor het laatste opteren wordt voortaan gepreciseerd dat de afschrijving moet gelijklopen met het hoofdbestanddeel waarop de bijkomende kosten slaan.

De wijziging van de afschrijvingsregimes is enkel van toepassing in de vennootschapsbelasting op de activa verkregen of tot stand gebracht vanaf 1 januari 2020.

Aftrekbeperking bijzondere uitgaven 

Niet-aftrekbare boetes: met het oog op harmonisering en vereenvoudiging worden alle administratieve boeten opgelegd door overheden, zelfs indien zij geen strafrechtelijk karakter hebben en zelfs indien zij slaan op een aftrekbare belasting, niet langer aftrekbaar (van belang voor proportionele BTW-boetes en boeten inzake registratierechten, boetes in sociale zaken,..). Dit zal ook in de personenbelasting gelden.

Niet-aftrekbare belastingen: de aanslag geheime commissielonen wordt niet langer aftrekbaar. Gelet op de verlaging van het tarief is het redelijk om een extra inspanning te vragen van ondernemingen om de fiscale verplichtingen te respecteren. Bovendien zorgt de afschaffing van de algemene crisisbijdrage ervoor dat het tarief van de aanslag verder vermindert en zorgt dit eveneens voor een harmonisering van het principe van niet-aftrekbaarheid van belastingen.

Het tarief van 50 pct. van de aanslag geheime commissielonen in het geval van vrijwillige opname van zwarte winsten in de boekhouding wordt opgeheven: dit hoort thuis in de fiscale regularisatie, waar de tarieven overigens strenger zijn.

De 120%-aftrekbaarheid van kosten wordt verlaagd naar 100% (m.i.v. elektrische wagens).

Autokosten vennootschapsbelasting 

Voor meer uitleg zie ons blogbericht ‘Nieuwe fiscale spelregels voor personenwagens’ van 26-10-2017.

Andere diverse aanpassingen 

Afschaffing van het regime van de gespreide taxatie van de meerwaarde op sommige overheidseffecten.

Afschaffing van de vrijstellingen voor:

  • aanvullend personeel (opheffing art. 67 WIB 92)
  • bijkomend personeel (opheffing art. 67ter WIB 92)
  • 40% van het loon van stagiairs (opheffing art. 67bis WIB 92)
  • meerwaarden op onroerende goederen van vennootschappen voor huisvestingskrediet (art. 191 WIB 92), die reeds van een VENB-tarief van 5% genieten (art. 216, 2°, b, WIB 92)
  • de vrijstelling van het sociaal passief, behalve in het kader van het eenheidsstatuut
  • meerwaarden op voertuigen voor gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden tussen woon-werk (in de mate dat geen rekening wordt gehouden met de verhoogde afschrijving van 20%)

In extremis werd alsnog besloten de vrijstelling van meerwaarde op bedrijfsvoertuigen (vrachtwagens) bij herbelegging in nieuwe meer ecologische exemplaren (art. 44bis) te behouden!