Door de Wet van 7 februari 2018 houdende invoering van een taks op de effectenrekeningen had de wetgever op 10 maart 2018 een nieuwe belasting ingevoerd, de zgn. “effectentaks”. Deze taks van 0,15% is verschuldigd door zij die titularis zijn van één of meer effectenrekeningen in België of in het buitenland. De taks wordt in beginsel jaarlijks geheven en dit op basis van het aandeel van de betrokkene in de gemiddelde waarde van de financiële instrumenten op die rekeningen, voor zover dat aandeel minstens 500.000 euro bedraagt.

Vernietiging effectentaks

Op 7 september 2018 tekende echter de Vlaamse Federatie van Beleggers (VFB) en zes andere partijen beroep aan tegen deze taks waar het Grondwettelijk Hof nu een uitspraak over heeft gedaan.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde op 17 oktober 2019 dat de wetgever wel degelijk mag streven naar meer fiscale rechtvaardigheid door een taks op grotere vermogens op te leggen, maar dat het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie daarbij wel gerespecteerd moet worden. Dat is bij de effectentaks niet het geval.

Het Grondwettelijk Hof is van oordeel dat de wet van 7 februari 2018 op meerdere punten het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt omwille van volgende redenen:

  • de taks was uitsluitend verschuldigd wanneer een persoon ‘bepaalde’ financiële instrumenten op een effectenrekening had staan (aandelen, obligaties, rechten van deelneming in gemeenschappelijke beleggingsfondsen, aandelen in beleggingsvennootschappen, kasbons en warrants). Maar andere financiële instrumenten (bv. opties, futures, swaps, …) en vastgoedcertificaten op een effectenrekening, waren van de effectentaks vrijgesteld. Het is volgens het Hof 'onredelijk' dat de taks alleen voor bepaalde instrumenten verschuldigd is.

  • ‘aandelen op naam’, die niet ingeschreven waren op een effectenrekening, ontsnapten aan de effectentaks. De taks werd enkel geheven op aandelen die ingeschreven waren op een effectenrekening; Het hof meent dat er geen verantwoord is voor dat verschil in behandeling.

  • Tenslotte signaleert het Hof dat een persoon die beschikte over financiële instrumenten met een gemiddelde waarde van 500.000 euro of meer, aan de taks kon ontsnappen als de effectenrekening op naam van verschillende titularissen stond. Ook dat vindt het Hof discriminerend . De wet veronderstelt immers dat elke titularis eenzelfde deel bezit van een effectenrekening. Neem bv. een effectenrekening van 800.000 euro met twee titularissen. Dan gaat de fiscus ervan uit dat elk 400.000 euro bezit en dus geen belasting verschuldigd is, terwijl het mogelijk is dat één titularis 600.000 euro bezit en de andere slechts 200.000 euro.

De vastgestelde ongrondwettigheden hebben betrekking op de “kern” van de taks (meer bepaald de belastbare materie en de belastbare grondslag). Daardoor besluit het Hof in haar arrest nr. 138/2019 dat de wet van 7 februari 2018 integraal dient te worden vernietigd.

Deze vernietiging heeft enkel gevolgen voor de toekomst. De gevolgen van de wet blijven immers gehandhaafd voor de taks die verschuldigd is voor de referentieperiodes die eindigen vóór of op 30 september 2019. De voor die periodes verschuldigde taks kan dus niet teruggevorderd worden van de Staat. Beleggers zullen dus in 2019 voor het tweede jaar op rij effectentaks moeten betalen, maar niet meer vanaf 2020. Daarmee perkt het Hof de budgettaire en administratieve gevolgen in die uit het vernietigingsarrest kunnen voortvloeien.

Het is niet de eerste keer dat het Grondwettelijk Hof een taks naar de toekomst vernietigt. In het verleden werd ook de Turteltaks en de Fairness taks door het Grondwettelijk Hof vernietigd waarbij de overheid het geld toch mag houden.

U verneemt meer informatie over fiscale actualiteit tijdens de fiscale clubs

Seminaries in de kijker


Op de hoogte blijven van onze seminaries?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief