De Administratie publiceerde op 1 maart 2019 de nodige toelichtingen bij de gelijkstelling met een dienst onder bezwarende titel van de uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat voor de doeleinden van zijn economische activiteit of voor andere doeleinden (circulaire nr. 2019/C/19 van 1 maart 2019). Het betreft de regeling die toepasselijk is vanaf 16 december 2017.

Wat is gewijzigd?

De betreffende regeling voorzien in artikel 19, §2 WBTW werd fel ingeperkt via de wet van 29 november 2017 in werking getreden op 16 december 2017. Zo werden volgende zaken aangepast :

  • De gelijkstelling is nog enkel voorzien voor zover de belastingplichtige geen volledig recht op aftrek van de btw zou hebben ingeval een andere belastingplichtige dergelijke werken voor hem zou hebben uitgevoerd;
  • herstellings-, onderhouds-, en reinigingswerken worden altijd uitgesloten van de toepassing.

Steeds uitgesloten handelingen

Twee soorten van handelingen zijn altijd uitgesloten van de toepassing van artikel 19, § 2, eerste lid, 1° WBTW, met name:

  • de oprichting van een gebouw door een beroepsoprichter in de zin van artikel 12, § 2 WBTW
  • herstellings-, onderhouds- en reinigingswerken.

Beroepsoprichters zijn namelijk deze belastingplichtigen die als activiteit hebben, de regelmatige verkoop van nieuwe gebouwen.

Met herstellings-, onderhouds- en reinigingswerk worden werkzaamheden bedoeld die er enkel toe strekken de economische waarde van een bestaand bedrijfsmiddel te behouden, zoals het vegen van een schoorsteen, het ontstoppen van aflopen, het ruimen en onderhoud van toezichtputten, het onderhoud van een lift …).

Onderscheid tussen belastingplichtigen

In de administratieve circulaire wordt een overzicht gegeven van de diverse soorten belastingplichtigen met de vermelding of de gelijkstelling, zoals voorzien in artikel 19, §2 WBTW al dan niet toepasselijk is:

  • de belastingplichtige met volledig recht op aftrek: gelijkstelling is nooit toepasselijk;
  • de belastingplichtige die uitsluitend handelingen verricht die vrijgesteld zijn door artikel 44 WBTW en hem geen recht op aftrek verlenen: gelijkstelling steeds toepasselijk;
  • de gemengde belastingplichtige: altijd toepassing wanneer de aftrek wordt uitgeoefend via het algemeen verhoudingsgetal; wanneer de methode van het werkelijk gebruik toegepast wordt,  is de  gelijkstelling toepasselijk behalve wanneer de handeling volledig en uitsluitend toewijsbaar is aan de activiteit die hem recht op aftrek verleent;
  • de btw-eenheid: afhankelijk van de categorie waaronder de btw-eenheid valt;
  • de niet-belastingplichtige rechtspersoon (Staat, gemeenschappen, gewesten, steden, gemeenten … en de passieve holdings): gelijkstelling is niet van toepassing;
  • de gedeeltelijke belastingplichtige: in die gevallen moet een onderscheid gemaakt worden naar de activiteit van de belastingplichtige;
  • de kleine ondernemingen (artikel 56bis WBTW): gelijkstelling is niet van toepassing;
  • de belastingplichtige die een bijzondere regeling geniet waardoor hij geen recht op aftrek heeft (bijzondere regeling voor recuperatiestoffen, wasserij, ververij, schippers...): gelijkstelling is altijd van toepassing;
  • de forfaitaire landbouwondernemingen (artikel 57 WBTW): gelijkstelling is ook niet van toepassing indien er naast de forfaitaire landbouwwerkzaamheid nog een tweede activiteit is onderworpen aan de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen en het werk in onroerende staat geheel of gedeeltelijk bestemd is voor de doeleinden van die tweede sector.

Maatstaf van heffing

Voor de werken in onroerende staat waarvoor de gelijkstelling via artikel 19, §2 geldt, moet een onderscheid gemaakt worden tussen de werken voor de doeleinden van de economische activiteit en die werken die voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit worden uitgevoerd.

In het eerste geval is de maatstaf van heffing de normale waarde van de werken. Als normale waarde wordt beschouwd het volledige bedrag dat een afnemer in de handelsfase waarin de dienst wordt verricht, bij eerlijke concurrentie zou moeten betalen aan een onafhankelijke dienstverrichter om de diensten op dat tijdstip te verkrijgen.

In het tweede geval is de maatstaf van heffing de door de belastingplichtige gedane uitgaven, zijnde in feite de:

  • aangekochte materialen;
  • materialen die uit de voorraad van de belastingplichtige worden genomen;
  • de afschrijvingswaarde van gereedschap rekening houdend met de duurtijd van het gebruik;
  • het werk dat wordt gepresteerd door personeelsleden die worden ingeschakeld door de belastingplichtige (hetgeen altijd een gedane uitgave uitmaakt die tot de maatstaf van heffing van de btw behoort).   

In dit geval is er geen btw verschuldigd op het werk dat gepresteerd wordt door de belastingplichtige natuurlijke persoon zelf of door de bestuurder of zaakvoerder van de belastingplichtige vennootschap wanneer deze niet door de vennootschap voor dat specifiek werk wordt vergoed.

Stuk opmaken

De belastingplichtige die een handeling verricht die wordt gelijkgesteld met een dienst, moet daartoe een stuk opmaken dat de handeling vaststelt (KB nr. 1, artikel 3).
Dit stuk moet uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin het belastbare feit heeft plaatsgevonden, worden opgesteld.
De btw moet worden opgenomen in de periodieke aangifte of via de bijzondere btw-aangifte of zelfs via een regularisatieopgave.

Wil je meer info?

Schrijf je in voor de seminariereeks: praktijkopfrissing btw in 4 namiddagen