Het hof van beroep te Gent stelt dat het recht op teruggaaf van eerder voldane maar geregulariseerde btw enkel mogelijk is wanneer daarvoor ook de nodige verbeterende stukken worden uitgereikt aan de medecontractanten van de betreffende diensten (HvB. Gent van 16 februari 2021).

Feiten

Vanaf 3 maart 1993 tot op heden is de betreffende vennootschap actief als aanbieder van rijopleidingen voor alle types van rijbewijzen. Wegens de uitoefening van deze activiteit bezit de bvba de hoedanigheid van btw-belastingplichtige en is ze geregistreerd voor de btw.

Op 29 februari 2009 voerde een ambtenaar van de btw administratie bij deze vennootschap  een fiscale controle uit. Tijdens de controle is gebleken dat zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007:

  • het door haar verstrekte onderricht voor het behalen van een rijbewijs voor voertuigen van categorie C (vrachtwagen) en categorie D (autobussen) met btw had belast tot en met de maand februari 2007;
  • het voornoemde onderricht vanaf de maand maart 2007 had vrijgesteld van btw;
  • de btw (36.156,86 euro) aangerekend aan klanten in de periode 2004-2005 op het verstrekte onderricht voor behalen van het rijbewijs C en D had opgenomen in rooster 62 (regularisatie in het voordeel van de aangever) van haar eigen periodieke btw-aangifte van de maand januari 2007.

Vrijstelling van btw voor beroepsopleidingen?

De administratie verstrekt een duidelijk overzicht van de evolutie van de problematiek van de al dan niet vrijstelling van btw voor het verstrekken van school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding en -herscholing zoals voorzien in artikel 44, §2, 4° W.Btw.

Een belangrijk moment in die evolutie was het arrest van de Raad van State van 30 mei 2005. De Raad van State oordeelde in dat arrest dat de aanschrijving 25 van 14 december 1993 van de administratie een niet in de wet omschreven beperking van de vrijstelling invoerde met name een beperking tegenover commerciële ondernemingen waardoor het gelijkheidsbeginsel werd geschonden.

De minister van Financiën heeft ingevolge dit arrest duidelijk kenbaar gemaakt dat commerciële ondernemingen zich (met ingang van 1 juli 2005) kunnen beroepen op het arrest om de vrijstelling toe te passen. Anderzijds werd ook duidelijk kenbaar gemaakt dat de fiscale administratie geen kritiek zal uiten wanneer zij bij hun onderwijs, beroepsopleiding en -herscholing blijven werken met toepassing van btw. De minister verklaarde dat intussen aan een wetsontwerp wordt gewerkt om alsnog het advies van de Europese Commissie op te volgen waarin werd aangegeven dat België deze vrijstelling te ruim zou opvatten.

Dit hield in dat rijscholen, zoals de betreffende vennootschap, die een opleiding aanbieden voor het behalen van een rijbewijs van categorie C (vrachtwagens) en D (autobussen) zelf konden kiezen om al dan niet voor deze activiteiten een beroep te doen op de vrijstelling van btw voor beroepsonderwijs.

Betrokkene heeft er na het voornoemde arrest van de Raad van State voor gekozen haar diensten verder aan de btw te onderwerpen. Dit had tot gevolg dat zij geen herziening van eerder afgetrokken btw diende door te voeren en verder kon blijven genieten van een volledig recht op aftrek van betaalde btw.

Evenwel oordeelde de vennootschap later dat ze zich daarin vergist heeft en er meer belasting geheven werd dan verschuldigd, reden waarom ze het gedeelte beroepsonderwijs ineens vrijstelt van btw. Zij vroeg de teruggave van de btw gefactureerd op haar beroepsonderwijs verricht in 2004 en 2005.

Administratief standpunt

Na de uitgevoerde controle stelde de administratie op 4 december 2009 een proces-verbaal op. Volgens de administratie dienden verbeterende stukken te worden uitgereikt op de juridische grond dat zij vergissingen of onjuistheden begaan heeft in de facturen. Dit betreft de essentie van het geschil ten gronde tussen de partijen. De administratie heeft dit standpunt van bij de aanvang van het ontstaan van het geschil duidelijk kenbaar gemaakt aan de betrokkene.

Hof van beroep Gent,16.02.2021  (5de kamer, Rol nr. 2020/AR/141)

Volgens het hof van beroep te Gent diende de belastingplichtige die achteraf alsnog haar recht op vrijstelling en teruggaaf met succes wil bereiken, ervoor te zorgen dat ze de rechtsgevolgen van die keuze consequent moet naleven, door de situatie geheel en tijdig om te keren door onder meer verbeterstukken uit te reiken aan haar medecontractanten en anderzijds een herziening door te voeren van haar uitgevoerde recht op aftrek.

De vordering van de vennootschap strekt er enkel toe zich de betaalde btw van haar klanten toe te eigenen zonder bijkomende correcties. De gevolgen van die keuze heeft zij niet correct nageleefd en haar vordering strekt tot een schending van het neutraliteitsbeginsel. De vordering is in strijd met de tekst en de geest van de wet en de uitvoeringsbesluiten en met de basisbeginselen van het stelsel van de btw.

Zoals de rechter in eerste aanleg terecht oordeelde, komt ook het hof van beroep tot het besluit dat de vennootschap een recht op teruggaaf van btw kon laten gelden op grond van artikel 77, §1 W.BTW maar de modaliteiten niet uitvoerde om haar vordering tot teruggaaf van btw te doen toekennen zoals voorzien in artikel 79, §1 W.BTW en artikel 4, KB nr. 4. De vennootschap heeft immers geen verbeterende stukken uitgereikt aan de medecontractanten.

Ontdek onze btw seminaries

Permanent bijblijven?

  • Schrijf je in voor de btw clubs van 2021-2022

Op de hoogte blijven van onze seminaries?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief