Het  nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) omvat de meest grondige hervorming van het Belgisch vennootschaps- en verenigingsrecht sinds de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen van 1935. Quasi alle onderdelen van het vennootschapsrecht ondergaan (al dan niet) ingrijpende wijzigingen. Maar de hertekening van de vroegere BVBA naar de nieuwe kapitaalloze BV is ongetwijfeld het koninginnestuk.

De wetgever beoogt met deze hervorming in essentie twee doelstellingen:

  1. het vennootschapsrecht moderniseren, vereenvoudigen en flexibiliseren en
  2. België aantrekkelijker maken als vestigingsland voor ondernemingen.

In deze bijdrage geven wij alvast een voorproefje van enkele ingrijpende hervormingen.

nieuw vennootschapsrechtMeer weten over dit bijzonder actuele onderwerp? Bekijk onze opleidingen over het nieuwe vennootschapsrecht

1. Nieuw onderscheidingscriterium tussen vennootschappen en verenigingen

De VZW-wet en de wet inzake beroepsverenigingen worden geïncorporeerd in het nieuwe WVV. Daardoor zullen zowel vennootschappen als verenigingen door eenzelfde wetboek worden geregeld.

Het WVV herdefinieert de vennootschap, de vereniging en de stichting en schaft het winstoogmerk af als criterium van onderscheid tussen vennootschappen en verenigingen. Het winstoogmerk was het klassieke onderscheid. Het nieuwe onderscheidingscriterium tussen vennootschappen en verenigingen wordt  het al dan niet bestaan van een winstuitkering.

Bij vennootschappen is de verrijking van de vennoten cruciaal. Een vennootschap heeft een vermogen en wordt opgericht met als doel aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks  vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen.

Verenigingen en stichtingen daarentegen streven een belangeloos doel in het kader van een of meer bepaalde activiteiten die zij tot voorwerp hebben. Zij mogen winst niet op eender welke manier uitkeren aan de leden, bestuurders, oprichters of anderen, tenzij ter verwezenlijking van het nagestreefde belangeloos doel.

Een vereniging kan dus probleemloos economische activiteiten van industriële of commerciële aard ondernemen, handelen met winstoogmerk en winsten genereren, maar ze kan winsten niet uitkeren, noch rechtstreeks noch onrechtstreeks. Een vereniging mag winsten enkel aanwenden ter verwezenlijking van haar belangeloos doel. Ook voor stichtingen geldt een principieel verbod tot uitkeringen.

Het uitkeringsverbod is ruim en treft ook onrechtstreeks uitkeringen. Zo is het bijvoorbeeld niet toegelaten dat leden of bestuurders aan de vereniging buitensporige huurprijzen of buitensporige prestatievergoedingen vragen. Een vereniging mag wel aan haar leden gratis diensten leveren die binnen haar voorwerp en in het kader van haar doel vallen.

2. Afschaffing onderscheid tussen burgerlijke en handelsvennootschappen

Het WVV heft het onderscheid tussen burgerlijke vennootschappen en handelsvennootschappen op. Daardoor verdwijnt de notie “burgerlijke vennootschappen met handelsvorm”. Alle vennootschappen worden onderworpen aan het handelsrecht, het ondernemingsrecht en het marktrecht, en vallen onder de bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank (vroegere rechtbank van koophandel).

In het verlengde van het Wetboek van Economisch Recht (WER) kwalificeert het WVV vennootschappen, verenigingen en stichtingen voortaan als ondernemingen die een economische activiteit uitoefenen. Bijgevolg kunnen zij onder meer ook failliet worden verklaard en vallen zij onder het insolventierecht.

Trouwens met de hervorming van het ondernemingsrecht worden ook de begrippen “koopman” en “daden van koophandel” opgeheven.

3. Beperking van het aantal vennootschapsvormen

Doorheen de jaren was er een wildgroei aan vennootschapsvormen ontstaan. Daarin wordt nu fors gesnoeid door het WVV.

Bovendien is de meerhoofdigheid niet langer een basisvereiste bij de oprichting van een vennootschap. De enige oprichter van een vennootschap kan zowel een natuurlijke persoon als een rechtspersoon zijn.

3.1  Overblijvende vennootschapsvormen

Na de hervorming zullen er nog maar vier vennootschapsvormen overblijven:

      • de BV (besloten vennootschap)
      • de NV (naamloze vennootschap)
      • de CV (coöperatieve vennootschap)
      • de maatschap

Deze vormen werden gekozen omdat alle andere bestaande vormen juridisch tot deze kunnen worden herleid, weliswaar met varianten.

De BV, de NV en de CV zijn de drie vormen van kapitaalvennootschappen. Zij hebben een beperkte aansprakelijkheid en worden elk in hun eigenheid versterkt.

De BV zal nog meer dan nu de geprefereerde vennootschapsvorm zijn voor de kleine en (middel)grote ondernemingen. De aantrekkelijkheid van de BV wordt verhoogd door een eenvoudig standaardmodel in te voeren, met wettelijke standaardstatuten die kunnen worden aangevuld met allerhande opties die een zekere flexibiliteit moeten garanderen. De huidige kapitaal- en kapitaalbeschermingsregels voor de BVBA worden vervangen door andere beschermingsmechanismen

De NV wordt de aangewezen rechtsvorm voor de grootste en beursgenoteerde ondernemingen (alhoewel het WVV een notering voor een BV toelaat). De NV beoogt het bijeenbrengen van voldoende kapitaal om een onderneming van een zekere omvang uit te bouwen. Een eenhoofdige NV wordt mogelijk.

De CV krijgt haar eigenheid terug en zal enkel nog openstaan voor ondernemingen die daadwerkelijk het coöperatieve gedachtengoed nastreven. Het voornaamste doel van de CV moet bestaan in het voldoen aan de behoeften van haar aandeelhouders en/of in de ontwikkeling van hun economische en sociale activiteiten.  De CV kan zich laten erkennen als sociale onderneming.

De maatschap is de basisvorm van de personenvennootschap en de enige vennootschapsvorm zonder rechtspersoonlijkheid, zij het  met de VOF of de Comm.V. als varianten met rechtspersoonlijkheid.

De vennootschap onder firma (VOF) en de commanditaire vennootschap (Comm.V.) worden in het WVV dus niet afgeschaft maar worden behandeld als een maatschap met rechtspersoonlijkheid.

Indien de vennootschap enkel onbeperkt en hoofdelijke aansprakelijke vennoten heeft, dan kwalificeert zij als VOF.

Heeft de vennootschap daarnaast nog beperkt aansprakelijke vennoten die niet deelnemen aan het beheer, dan kwalificeert zij als Comm.V. In beide gevallen gelden de bepalingen van de maatschap alsook een aantal bijzondere regels die voortvloeien uit hun rechtspersoonlijkheid of uit hun werking. 

In het regime van het WVV kan een maatschap “stil” zijn wanneer zij wordt bestuurd door een zaakvoerder die in eigen naam optreedt zonder het bestaan van de vennootschap of de naam van de  vennoten kenbaar te maken. De maatschap kan tijdelijk worden aangegaan, bijvoorbeeld voor een bepaalde werf.

M.a.w. de maatschap zal voortaan al dan niet met stille vennoten bestaan (“stille maatschap”), duurzaam of tijdelijk zijn (“tijdelijke maatschap”), en al dan niet rechtspersoonlijkheid bezitten (de VOF of de Comm.V.). Persoonlijke schuldeisers zullen geen rechtstreeks beslag op de maatschapsactiva kunnen doen.

Vennootschappen kunnen zich in de toekomst ook laten erkennen als hetzij landbouwonderneming, hetzij erkende coöperatieve onderneming, hetzij (maar dan enkel de CV) sociale onderneming.

De bestaande Europese vehikels (SE (“Europese Vennootschap”), SCE (“Europese Coöperatieve Vennootschap”) en EESV (“Europees economisch samenwerkingsverband”)), blijven onveranderd, omdat deze Europees geregeld zijn en de Belgische wetgever deze niet kan schrappen of wijzigen.

Terminologie. In de BV spreken wij voortaan van aandeelhouders, bestuursorgaan en bestuurders (net zoals in de NV) i.p.v. over zaakvoerders. De termen vennoten en zaakvoerders worden gereserveerd voor vennootschappen zonder en met onvolkomen rechtspersoonlijkheid.

3.2 Afgeschafte vennootschapsvormen

De onderstaande vennootschapsvormen zullen worden afgeschaft:

  • de stille handelsvennootschap,
  • de tijdelijke handelsvennootschap,  
  • CVOA,
  • ESV,
  • LV (landbouwvennootschap),
  • EBVBA en S-BVBA,
  • Comm.VA,
  • VSO.

De stille handelsvennootschap en de tijdelijke handelsvennootschap worden vervangen door de stille maatschap of de tijdelijk maatschap.

De EVBA wordt overbodig door de principiële afschaffing van de meerhoofdigheid.

De S-BVBA wordt afgeschaft om dat ze overbodig wordt gelet op de afschaffing van de kapitaalregels voor de BV.

De VSO verdwijnt door de nieuwe afbakening tussen vennootschappen en verenigingen. De VSO als samenwerkingsvorm is in het nieuwe WVV ofwel een vennootschap ofwel een vereniging.

De CVOA en ESV worden afgeschaft als aparte vennootschapstypes. Hun eigenheid is te beperkt ten opzichte van een VOF of een CV.

De Comm.VA verdwijnt als vennootschapsvorm omdat het WVV de NV toelaat om te opteren voor een enige bestuurder. De specifieke doelstellingen van een Comm.VA kunnen ook bereikt worden via een NV waarvan de statuten op maat worden uitgewerkt.
De LV wordt afgeschaft omdat ze in grote mate overeenkomt met een VOF of een gewone commanditaire vennootschap.

4. De kapitaalloze BV

De meest in het oog springende hervorming betreft de invoering van de kapitaalloze BV: een uiterst soepele rechtsvorm, zonder kapitaal en met desgewenst een volledig open karakter. De wetgever streeft ernaar om van de BV de meest populaire rechtsvorm te maken.

Kapitaal wordt eigen vermogen. De notie kapitaal wordt volledig dode letter voor de BV. De wetgever beschouwt het concept maatschappelijk kapitaal in de BV als achterhaald.

De BV heeft dus geen kapitaal meer maar wel een eigen vermogen dat bestaat uit de inbrengen van de aandeelhouders (voor zover niet terug uitgekeerd), de overgedragen winsten en de reserves. Voortaan is geen minimumkapitaal (18.550 euro) meer vereist. De minimumkapitaalvereiste wordt vervangen door de vereiste van een toereikend aanvangsvermogen.

De oprichters van de BV moeten erop toezien dat de vennootschap bij haar oprichting over een eigen vermogen beschikt dat toereikend is in het licht van de voorgenomen bedrijvigheid. Bij die beoordeling van het toereikend aanvangsvermogen mogen ook vreemde middelen in rekening worden gebracht zoals bankfinancieringen en achtergestelde aandeelhoudersleningen.  Echter, man kan geen onderneming starten met louter en alleen vreemd vermogen.

Vanaf de inwerkingtreding van het WVV zullen nieuw opgerichte BV’s dus geen kapitaal meer hebben. Indien zij zich oncomfortabel voelen bij de afwezigheid van een kapitaal, dan kan hieraan verholpen worden door de inbreng van de aandeelhouders op statutaire basis onbeschikbaar te stellen. Van zodra het WVV via de overgangsmaatregelen van toepassing wordt op de bestaande BVBA’s, wordt hun kapitaal van rechtswege omgezet in een onbeschikbare reserve die in de toekomst ook niet zal kunnen worden uitgekeerd.

Het aanvangsvermogen bestaat in elk geval uit het eigen vermogen van de BV. Dat ontstaat bij de oprichting uit de klassieke inbrengen in geld en  in natura.

In de toekomst kan de BV opgericht worden, niet enkel door een inbreng in geld of in natura, maar ook door een inbreng van nijverheid (mist toelating van de overige aandeelhouders). Dit betekent dat de vennootschap aandelen kan uitgeven in ruil voor te leveren arbeid. Hiermee schept de wetgever de kans aan minder kapitaalkrachtige personen om toch deel te nemen in de onderneming. De waardering van een inbreng in nijverheid is onderworpen aan dezelfde regels als bij een inbreng in natura.  Ingeval de toegezegde arbeid niet langer kan geleverd worden (bv. door weigering of omdat de inbrenger er niet meer toe in staat is), dan worden de eraan beantwoordende aandelen vervallen verklaard. 

Bij de inbreng in geld wordt de storting op een geblokkeerde rekening behouden, zowel bij de oprichting als bij een latere kapitaalverhoging. Bij een inbreng in natura blijft een correcte waardering aangewezen.  De bestaande verplichtingen rond de quasi inbreng worden afgeschaft.

Omdat er geen kapitaal meer is hoeft er niet meer gewerkt te worden met een uitgiftepremie om bij een kapitaalverhoging de waarde van nieuwe aandelen in overeenstemming te brengen met de waarde van de bestaande aandelen. Van zodra de BV en de inbrenger het eens zijn over het aantal aandelen en de daarvoor te betalen inbreng, is de kwestie afgehandeld.

De oprichting van de BV gebeurt onder het nieuwe recht ook door middel van een authentieke akte. Ook de latere inbrengen van aandeelhouders in het eigen vermogen van de vennootschap vereisen de opmaak van een authentieke akte.

Door de afschaffing van het kapitaalbegrip zullen de schuldeisers niet minder bescherming genieten.  Immers, de minimale inhoud van het verplicht op te stellen financieel plan wordt aangescherpt. Daarnaast zijn de regels inzake bestuurdersaansprakelijkheid voor kennelijk grove fout na faillissement voortaan ook onverkort van toepassing op de BV.  Verder blijft ook het regime van de oprichtersaansprakelijkheid nagenoeg integraal behouden.

Dubbele uitkeringstest. De  afschaffing van het kapitaal brengt een volledige nieuwe regeling mee op het vlak van uitkeringen aan de aandeelhouders teneinde vennootschapsschuldeisers voldoende bescherming te bieden en hun belangen te vrijwaren.  Telkens wanneer de BV een uitkering wil doen moet zij een verplichte dubbele uitkeringstestdoen: de balanstest en de liquiditeitstest. Dit vormt de belangrijkste bescherming voor de vennootschapsschuldeisers.

Balanstest. De eerste van beide tests, de balanstest, is op zich niet nieuw maar werd wel  geherformuleerd als gevolg van de afschaffing van de kapitaalvereiste. Voortaan zal geen enkele uitkering mogen gebeuren indien het eigen vermogen van de vennootschap negatief is of negatief zou worden  als gevolg van de voorgenomen uitkering.

Bij de balanstest gaat men het eigen vermogen berekenen aan de hand van de nettoactieftest. Nettoactief = totaalbedrag van activa, na aftrek van de voorzieningen, de schulden, niet-afgeschreven kosten van oprichting en uitbreiding en kosten van onderzoek en ontwikkeling. Aan de passiefzijde is dit gelijk aan de inbrengen (voor zover niet terug uitgekeerd) , de reserves en de overgedragen winsten.

Eventuele wettelijke onbeschikbare reserves zijn niet voor uitkering vatbaar en moeten dus in de BV gehouden worden. Daarnaast wordt het niet-afgeschreven gedeelte van herwaarderingsmeerwaarden ook als onbeschikbaar beschouwd. Oprichters of aandeelhouders mogen vrij beslissen om deze test strenger te maken door gedane inbrengen statutair geheel of gedeeltelijk onbeschikbaar te maken.

Liquiditeitstest. De tweede test, de. liquiditeitstest, verplicht het bestuursorgaan na te gaan of de vennootschap gedurende een periode van 12 maanden na de uitkering nog in staat zal zijn haar opeisbare schulden te voldoen, rekening houdende met de redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen. Wanneer het bestuursorgaan zou vaststellen dat er na de uitkering onvoldoende liquide middelen overblijven, dient zij in te gaan tegen de beslissing van de aandeelhouders en kan de vennootschap de onrechtmatige uitkeringen van alle aandeelhouders (zonder onderscheid) terugvorderen.  De bestuurders zullen aansprakelijk zijn in geval van fouten bij de uitvoering van deze liquiditeitstest.

In principe heeft in de BV elke aandeel één stem en een gelijk aandeel in de winstdeelneming (dividenden en liquidatiesaldo). Maar onder de nieuwe wetgeving is het mogelijk dat aandeelhouders van een BV over ongelijke winstrechten beschikken. Dit laat toe de uitkering van dividenden te sturen. Zulke afwijking vereist wel een statutaire bepaling.  Een BV kan dus aandelen uitgeven met meervoudig stemrecht, aandelen zonder stemrecht, al dan niet met een preferent dividend of aandelen die slechts onder bepaalde voorwaarden kunnen stemmen.

Open karakter. Onder het WVV kan een BV een open karakter aannemen. De overdraagbaarheid van aandelen in de BV kan door de statuten volledig vrij worden geregeld waardoor van de BV een zeer open vennootschap kan worden gemaakt. Een BV zal ook een publiek beroep op het spaarwezen kunnen doen zodat zij zich kan financieren via een openbare uitgifte van effecten.

Uitgifte van effecten. Een BV kan alle effecten uitgeven die niet krachtens de wet verboden zijn, dus ook winstbewijzen, inschrijvingsrechten (warrants) en converteerbare obligaties. De BV-aandelen blijven in de regel aandelen op naam, tenzij de BV een beursgenoteerde vennootschap is en de statuten de uitgifte van gedematerialiseerde aandelen toelaten.

Een BV zal ook een publiek beroep op het spaarwezen kunnen doen zodat zij zich kan financieren via een openbare uitgifte van effecten.

In geval van een overdracht van een niet-volgestort aandeel van een BV zijn zowel de overdrager als de overnemer hoofdelijk gehouden tot volstorting.

Bestuur. In de BV kan het bestuur worden waargenomen door één of meerdere bestuurders (natuurlijke personen of rechtspersonen) die al dan niet een college vormen. Bestuurders kunnen in die hoedanigheid geen werknemer zijn van de BV.  Een statutaire bestuurder kan slechts mits een statutenwijziging worden ontslagen. De BV krijgt de mogelijkheid een dagelijkse bestuurder te benoemen (men spreekt over de notie “dagelijks bestuur”).

Inkoop van eigen aandelen. Het WVV versoepelt de voorwaarden  waaronder de BV haar eigen aandelen en certificaten kan inkopen. De 20% regel wordt afgeschaft. Een BV zal dus meer dan 20% van haar eigen aandelen kunnen inkopen als de statuten dit niet beperken. Ook de vereiste dat de aandelen na twee jaar opnieuw moeten worden vervreemdt op straffe van nietigheid, verdwijnt. Er staat geen maximumtermijn op de mogelijkheid om de eigen aandelen in portefeuille te houden.

Het nieuwe recht biedt dus meer flexibilteit aan de BV en haar aandeelhouders. Maar er moeten wel wettelijke voorwaarden worden nageleefd. Ook een inkoop eigen aandelen is onderworpen aan de balanstest en de liquiditeitstest. De BV kan dus maar zoveel aandelen inkopen als haar uitkeerbaar vermogen toelaat, gelet op de inkoopprijs van de aandelen. Het aanbod van de inkoop moet aan alle aandeelhouders onder dezelfde voorwaarden per soort van effecten worden gericht, tenzij de algemene vergadering daarvan afwijkt.  

De statuten van de BV kunnen wel een maximumpercentage (bv. 25%) bepalen dat de vennootschap als eigen aandelen mag inkopen. Bovendien kunnen de statuten ook een minimum- of maximumvergoeding opleggen. Een vernietiging van de eigen aandelen vereist een statutenwijzing. De BV kan haar ingekochte aandelen slechts vervreemden als zij die aandelen bij voorrang naar evenredigheid aanbiedt aan de bestaande aandeelhouders.

5. Invoering van de statutaire zetelleer

Onder de huidige wetgeving is het Belgisch vennootschapsrecht van toepassing als de vennootschap haar werkelijke zetel in België aanhoudt. De Belgische regelgeving geldt dus indien de vennootschap vanuit België wordt bestuurd of wordt geleid.

De wetgever wil de aantrekkelijkheid van België als vestigingsland voor internationale ondernemingen verhogen. Daarom hanteert het WVV in de toekomst de statutaire zetelleer in plaats van de werkelijke zetelleer.

In de toekomst zullen vennootschappen dus onderworpen zijn aan het Belgische vennootschapsrecht als hun statutaire zetel zich in België bevindt, ook al oefenen zij niet daadwerkelijk activiteiten uit in België of worden ze niet effectief vanuit België geleid.  

Hiermee volgt België het voorbeeld van onder andere Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland die al langer de statutaire zetelleer hanteren. Op die manier probeert men een zo open mogelijk ondernemingsklimaat te creëren.  De keuze voor de statutaire zetelleer biedt het voordeel van de rechtszekerheid. Van  zodra een vennootschap haar zetel in België vestigt, weet zij dat zich moet onderwerpen aan het Belgisch WVV. 

Verder voert het WVV ook een procedure van grensoverschrijdende zetelverplaatsing in, zowel bij emigratie vanuit België naar het buitenland als bij immigratie naar ons land. Deze zou de vorm krijgen van een “grensoverschrijdende omzetting”, gelijkaardig aan de procedures zoals we die nu kennen voor omzetting van een vennootschap in een andere rechtsvorm.

6. Overgangsregeling

Vennootschappen krijgen de nodige tijd om zich aan te passen aan de nieuwe wetgeving. Het WVV voorziet daartoe in een uitgebreide overgangsregeling.

De nieuwe regelgeving zal vanaf haar inwerkingtreding meteen gelden voor wie een nieuwe vennootschap opricht.  Van dan af zullen er dus geen vennootschappen meer kunnen worden opgericht in een afgeschafte rechtsvorm.

Voor de bestaande vennootschappen komt er een algemene inwerkingtreding per 1 januari 2020. Maar bestaande vennootschappen kunnen de nieuwe bepalingen wel al vroeger implementeren via een zgn. “opt-in”, indien zij dit wensen.

Zodra de wet van toepassing wordt, krijgen de vennootschappen en verenigingen tien jaar de tijd om hun statuten aan te passen aan de nieuwe regels. Maar indien er intussen echter statutenwijzigingen plaatsvinden, dan dient de vennootschap de nodige ingrepen te doen ter gelegenheid van de eerste statutenwijziging.  Bovendien zijn de dwingende bepalingen van het WVV ook bij gebrek aan statutenwijziging onmiddellijk van toepassing.  Statutaire clausules die hiermee in strijd zijn zullen van rechtswege voor niet geschreven worden gehouden.

Er komt ook een vangnet voor vennootschappen waarvan de rechtsvorm wordt afgeschaft.  Vennootschappen die binnen de tien jaar na inwerkingtreding van het WVV niet zijn omgezet in een andere rechtsvorm, zullen van rechtswege worden omgezet in de dichtst aanleunende rechtsvorm. Het gaat om de volgende omzettingen:

  • Comm.V.A. => NV met enige bestuurder
  • Landbouwvennootschap zonder stille vennoten => VOF
  • Landbouwvennootschap met stille vennoten => CommV
  • Economisch samenwerkingsverband => VOF
  • CVOA => VOF
  • CVBA die niet beantwoordt aan nieuwe definitie => BV
  • Beroepsvereniging => VZW

De vennootschap moet dan binnen de zes maanden verplicht haar statuten aanpassen, op straffe van aansprakelijkheid van de bestuurders

7. Structuur van het WVV

In het nieuwe WVV worden alle artikelen genummerd per boek.

Boek 1. Inleidende bepalingen (vnl. definities)
Boek 2. Bepalingen gemeenschappelijk aan de rechtspersonen
Boek 3. De jaarrekening
Boek 4. De maatschap, de VOF en de Comm V
Boek 5. De BV
Boek 6. De CV
Boek 7. De NV
Boek 8. Erkenning van vennootschappen
Boek 9. De VZW
Boek 10. De IVZW
Boek 11. De stichtingen
Boek 12. Herstructurering van vennootschappen
Boek 13. Herstructurering van verenigingen en stichtingen
Boek 14. Omzetting van vennootschappen, verenigingen en stichtingen

Wenst u nog meer informatie over het nieuwe vennootschapsrecht?

Kom dan naar één van de vele seminaries die Practicali organiseert over dit bijzondere actuele onderwerp:
"nieuw vennootschapsrecht: wat verandert er?" alsook
"nieuw vennootschapsrecht: boekhoudkundige en fiscale gevolgen"