Het Grondwettelijk Hof heeft gans de wettelijke regeling inzake het belastingvrij bijklussen vernietigd zonder retroactiviteit (arrest van 23 april 2020, nr. 53/2020). Het Hof handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen voor de activiteiten geleverd tot en met 31 december 2020. Pas vanaf 01.01.2021 is er geen belastingvrij bijklussen meer mogelijk, tenzij de wetgever tegen dan in een alternatieve regeling voorziet.

Grondwettelijk Hof vernietigt regeling onbelast bijklussen

Belastingvrij bijklussen

De wetgever had een globale regeling uitgewerkt ten aanzien van drie soorten belastingvrij bijklussen:

  1. het verenigingswerk;
  2. de occasionele diensten tussen burgers'en
  3. de diensten van de 'deeleconomie'.

Er gold één globale vrijstelling als de inkomsten uit het geheel van deze activiteiten niet meer bedroegen dan 6.340 EUR (cijfer voor aanslagjaar 2021) onder welbepaalde voorwaarden en volgens diverse modaliteiten naargelang het bijklussen bestaat uit verenigingswerk, diensten tussen burgers of deeleconomie.

De regeling werd ingevoerd met de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie (BS 26 juli 2018) en trad in werking op 1 januari 2018. Daarna werd de regeling nog aangepast (onder meer door de wet van 30 oktober 2018 (BS 12 november 2018).

Vernietiging met handhaving gevolgen

Het Grondwettelijk Hof heeft deze wetgeving vernietigd. De vernietiging kwam er nadat begin 2019 enkele verzoekschriften bij het Grondwettelijk Hof ingediend werden namens een aantal belangenverenigingen en een groot aantal organisaties van het middenveld.

Dat zijn de pijnpunten die aanleiding gaven tot de vernietiging ten aanzien van de vrijstelling van sociale en fiscale bijdragen voor de verenigingswerkers en de occasionele dienstverleners:

De prestaties die als verenigingswerker of als occasionele dienstverlener worden geleverd, kunnen eveneens worden uitgevoerd in het kader van een arbeidsovereenkomst, dan wel als zelfstandige;

De fiscale en sociale vrijstelling heeft tot gevolg dat de fiscale en sociale behandeling van de vergoeding voor eenzelfde activiteit verschillend is naargelang zij wordt uitgevoerd in het kader van de bestreden wet, dan wel als werknemer of zelfstandige;

Dit verschil in behandeling is niet verantwoord omdat :

  • het argument dat de betrokken vergoeding voor verenigingswerkers en occasionele dienstverleners slechts bijkomstig is, gebaseerd is op ongefundeerde veronderstellingen;
  • het argument dat de betrokken vergoeding voor verenigingswerkers en occasionele dienstverleners slechts bijkomstig is, gebaseerd is op ongefundeerde veronderstellingen;
  • de doelstelling om zwartwerk te vermijden, niet verantwoordt dat de vergoedingen voor de betrokken prestaties volledig aan de sociale zekerheid en aan de belastingen worden onttrokken;
  • de toepassingsvoorwaarden van het statuut van occasionele dienstverlener niet verhinderen dat er een verschuiving kan optreden van het statuut van zelfstandige (al dan niet in bijberoep) naar het statuut van occasionele dienstverlener, waardoor een maatregel met als doelstelling het vermijden van zwartwerk, daarentegen de mogelijkheid creëert om over te schakelen van een statuut dat onderworpen is aan de sociale zekerheid en aan fiscale verplichtingen, naar een statuut dat de betrokkene vrijstelt van al die verplichtingen.

Ten aanzien van de diensten via erkende elektronische deelplatforms gelden dezelfde overwegingen, met de volgende aanvullingen:

Er is niet voorzien in een vereiste hoofdactiviteit, noch in een maandelijks maximumbedrag.
Er is een tegenstrijdigheid tussen de veronderstelling dat de activiteiten buiten de beroepsactiviteit van de betrokkene vallen en de doelstelling van de wetgever om via de creatie van dat statuut het ondernemerschap te stimuleren en een opstap te bieden naar het statuut van zelfstandige.

Het Grondwettelijk Hof besluit dat belastingplichtigen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, verschillend worden behandeld. Dit is een ongeoorloofde discriminatie. De wetgeving wordt vernietigd.

Handhaving van de gevolgen tot 31.12.2020

Maar het Hof wil niet dat de personen die gebruik hebben gemaakt van de regeling inzake het belastingvrij bijklussen, en voor wie de verworven inkomsten mogelijkerwijs allerminst bijkomstig van aard zijn, de dupe worden van de vernietiging. Het besluit daarom de gevolgen van de beide vernietigde wetten te handhaven voor de activiteiten geleverd tot en met 31 december 2020.

Dit betekent dat de prestaties die binnen het toepassingsgebied vallen van de vernietigde wetten, nog tot 31 december 2020 kunnen uitgevoerd worden onder het huidige systeem van onbelast bijverdienen.

Gevolgen vanaf 01 januari 2021

Voorlopig wijzigt er dus niets. Wie actief is in een van de drie soorten belastingvrij bijklussen kan dit nog tot eind 2020 blijven doen met de belastingvrijstelling.

Als de wetgever niets doet, verdwijnt de regeling inzake het belastingvrij bijklussen zonder meer uit de rechtsorde vanaf 1 januari 2021.

Wellicht zal de regering en het parlement er alles aan doen om een alternatieve nieuwe regeling te maken die de kritiek vanwege het Grondwettelijk Hof zal kunnen doorstaan.

Men zou ook gemakkelijkheidshalve terug kunnen grijpen naar de regeling uit de Programmawet van 01.07.2016 inzake de deeleconomie (met de belasting tegen 20 % en een kostenaftrek van 50%).

Wordt ongetwijfeld vervolgd…

Onze video's

Nieuw: Live webinars voor de clubs