Volgens het Hof van Cassatie is de fiscale aftrekbeperking voor autokosten niet van toepassing ten belope van de eigen bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider in het voordeel van alle aard voor het privégebruik van de betrokken auto (Cass. 25 juni 2020, F.18.0116.N).

eigen bijdrage firmawagen in min

Voordeel van alle aard firmawagen

Wanneer autokosten betrekking hebben op een firmawagen die de werknemer of de bedrijfsleider privé gebruikt, dan moet de vennootschap geen aftrekbeperking toepassen ten belope van het voordeel van alle aard dat wordt belast in de personenbelasting. Immers, in de mate dat die autokost correspondeert met een voordeel van alle aard, krijgt de autokost het karakter van een loonkost. Dat is de zgn. bezoldigingstheorie die de administratie zelf erkent in haar commentaar (ComIB, 66/41 en 195/109).

Eigen bijdrage voor firmawagen

Bepaalde ondernemingen vragen voor het privé gebruik van de firmawagen een vergoeding, een zgn. eigen bijdrage. Dit vergoedingssysteem kan op drie manier georganiseerd worden: de vennootschap reikt een factuur uit aan de genieter, de vennootschap doet een inhouding op het netto loon van de genieter of de vennootschap boekt een bedrag op het debet van de rekening courant. Door eenzelfde vergoeding als het voordeel van alle aard te hanteren neutraliseert het voordeel en vermijdt men de belasting in hoofde van de gebruiker alsook de inhouding van bedrijfsvoorheffing en de fichevermelding.

Volgens de administratie mag enkel het effectief in de personenbelasting belastbare voordeel van alle aard in mindering komen van de te beperken autokosten. De bruto autokosten mogen volgens de fiscus dus niet verminderd worden met het bedrag van de eigen bijdrage. Want in zo'n geval is er dus geen voordeel van alle aard meer, en dus ook geen loonkost meer, aldus de fiscus (Parl. Vraag nr. 1026, Borginon dd. 27 maart 2006).

Dat standpunt wordt niet altijd gevolgd door de rechtspraak.

Zo verwierp het hof van beroep van Brussel de administratieve visie (HvB. Brussel 6 december 2017, 2015/AF/261). Het hof vond dat artikel 66, § 1 WIB 92 niet los gezien kan worden van artikel 66, § 3 WIB 92. Volgens die laatste bepaling geldt de aftrekbeperking ook voor kosten die aan derden terugbetaald worden. In de context van het privégebruik van een firmawagen moet de werkgever of vennootschap beschouwd worden als een derde. Vermits het niet de bedoeling is om de aftrekbeperking twee keer toe te passen, volgt daaruit dat de aftrekbeperking alleen bij de werknemer of bedrijfsleider aan de orde is, en niet bij de werkgever of vennootschap.

Hof van Cassatie, 25 juni 2020

De administratie had een cassatieberoep aangetekend tegen het arrest van het Hof van Beroep van Brussel. Het Hof van Cassatie verwerpt nu alle argumenten van de fiscus.

“Uit artikel 66, § 1 WIB 92 en de wetsgeschiedenis volgt dat de aftrekbeperking enkel toepasselijk is op de kosten voor het beroepsmatig gebruik van de bedoelde voertuigen, en niet op het deel van de kosten dat niet beroepsmatig, maar wel privé wordt gebruikt. De omstandigheid dat de kosten voor het privé-gebruik door de werknemer-gebruiker worden terugbetaald aan de belastingplichtige-werkgever, belet niet dat de werkgever deze kosten volledig mag aftrekken.“

Volgens het Hof van Cassatie vallen dus enkel de autokosten die verband houden met het professioneel gebruik van de personenwagen onder de fiscale aftrekbeperking en de kosten in verband met het privaat gebruik van de personenwagen door een derde. Wat telt is het gebruik van de auto.

Het Hof van Cassatie aanvaardt dat een eigen bijdrage voor het privé gebruik van een bedrijfswagen ook mag afgetrokken worden van de te beperken autokosten.