Overeenkomstig het attractiebeginsel moeten alle inkomsten en voordelen – andere dan dividenden en terugbetalingen van eigen kosten van de vennootschap – die een bedrijfsleider ontvangt van de vennootschap waarin hij over een mandaat beschikt, worden beschouwd als bezoldigingen van een bedrijfsleider en als dusdanig worden belast (artikel 32, tweede lid, 1° WIB 92).

Uit recente cassatierechtspraak blijkt dat dit attractiebeginsel ook limieten kent en dat de fiscale administratie de eigen rechtspersoonlijkheid van een managementvennootschap dient te erkennen.

Cassatie erkent de eigen rechtspersoonlijkheid van de managementvennootschap

Arrest van het Hof van Cassatie van 02.01.2020 F.18.0074.N)

In casu ging het om een bekende Vlaamse modeontwerpster die in 1985 samen met haar echtgenoot een handelsvennootschap (exploitatievennootschap) opricht die instaat voor de commercialisatie van een door haar ontworpen kledingcollectie. Beide echtgenoten werden tot statutair zaakvoerder van deze vennootschap benoemd.

De modeontwerpster liet haar eigen naam (“A.D.”) registreren als een merk bij het Benelux Bureau voor de Intellectuele Eigendom. De dame sluit met de exploitatievennootschap een licentieovereenkomst af op grond waarvan zij tegen een jaarlijkse vergoeding de merknaam laat gebruiken door de exploitatievennootschap.

In 2004 richtte de modeontwerpster en haar echtgenoot een managementvennootschap op, waarin beiden opnieuw een bestuursmandaat opnemen. De echtgenoten zetten hun persoonlijk zaakvoerdersmandaat bij exploitatievennootschap stop. De exploitatievennootschap ondertekende hierop onmiddellijk twee nieuwe contracten.

  1. Ter vervanging van de oude licentieovereenkomst met de dame werd een nieuwe licentieovereenkomst gesloten voor het wereldwijde gebruik van het geregistreerde merk “A.D.”.. Voor de reeds bestaande producten zal de vennootschap hiervoor een royalty van 1 % van de omzet aan de merkhouder betalen. Voor de nieuwe producten zal in onderling overleg een royalty-regeling worden uitgewerkt.
  2. Daarnaast werd met de managementvennootschap een dienstverleningsovereenkomst gesloten. De managementvennootschap zal tegen een jaarlijkse vergoeding van 248 000 EUR aan de exploitatievennootschap diensten van ‘art director’ en ‘public relations’ verstrekken. In de overeenkomst verbindt de werkvennootschap er zich uitdrukkelijk toe beroep te doen op de modeontwerpster voor de uitvoering van bepaalde diensten, zoals het tot een goed einde brengen van een bepaalde collectie, het verlenen van supervisie aan het nieuwe team van ontwerpers van de werkvennootschap, het aanwezig zijn tijdens défilés omtrent het merk  enz.  De modeontwerpster en haar echtgenoot zullen deze diensten op zelfstandige basis verstrekken.

De dame gaf de royalty’s, die de exploitatievennootschap haar in uitvoering van de licentieovereenkomst toekent voor het gebruik van het merk, in haar aangifte in de personenbelasting aan als roerende inkomsten.

Volgens de controledienst moeten deze royalty’s als een bedrijfsleidersbezoldiging worden belast (aj 2011 en 2012). De administratie baseerde zich op het beroepskarakter van de licentievergoeding (scharnierartikel 37 WIB 1992) en op het attractiebeginsel (art. 32 WIB 1992).

De taxatiediensten wijzen erop dat de ontvangen royalty’s onlosmakelijk verbonden zijn met de activiteit van het ontwerpen van kleding en juwelen. De administratie vindt dat de modeontwerpster - via haar eigen managementvennootschap  - in de werkvennootschap een leidinggevende functie heeft van commerciële en technische aard, en dit buiten een arbeidsovereenkomst. De modeontwerpster is fiscaal gezien bedrijfsleider van die werkvennootschap (tweede categorie).

Volgens de fiscus ontvangt zij hiervoor onrechtstreeks - via haar managementvennootschap - een bedrijfsleidersbezoldiging als zelfstandig bedrijfsleider. De licentievergoeding die de werkvennootschap aan de modeontwerpster betaalt i.v.m. de licentie van het merk (A.D.) werd belast als een bedrijfsleidersbezoldiging.

De modeontwerpster legde het geschil voor aan de fiscale rechtbank te Antwerpen.

De rechtbank te Antwerpen volgt de administratie. Volgens haar wezen de contracten uit dat de dame in de betrokken jaren beroepshalve als modeontwerpster actief is geweest en zijn de inkomsten uit de merknaam “A.D.” onlosmakelijk met die beroepswerkzaamheid verbonden (Rb. Antwerpen 21 oktober 2015, 14/5586/A).

De modeontwerpster tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis. Het hof van beroep te Antwerpen gaf de administratie opnieuw gelijk (HvB. Antwerpen, 14 november 2017, 2016/AR/865). Volgens het hof van beroep kwamen de vergoedingen voor het merk rechtstreeks aan de betrokken modeontwerpster toe. En omdat deze dame blijvend een leidinggevende functie uitoefent in de werkvennootschap, werden de vergoedingen in toepassing van het attractiebeginsel als bedrijfsleidersbezoldiging aangemerkt.
Maar het Hof van Cassatie verbreekt dit beroepsarrest.

Volgens het Hof van Cassatie moeten de inkomstenbelastingen, onder voorbehoud van toepassing van de wettelijk voorziene antimisbruikbepalingen, worden geheven op de door de belastingplichtige werkelijk gehanteerde juridische constructie.
Bijgevolg kan slechts abstractie worden gemaakt van het bestaan van een vennootschap en van de door deze vennootschap gesloten overeenkomsten, wanneer wordt vastgesteld dat er sprake is van simulatie.

En dat laatste hebben de raadsheren van het Hof van beroep van Antwerpen niet gedaan. Zonder vast te stellen dat er sprake is van simulatie, hebben zij geoordeeld dat de dame moet worden beschouwd als een bezoldigd bedrijfsleider van de werkvennootschap terwijl zij vaststellen dat de dame de diensten verricht in uitvoering van een dienstverleningsovereenkomst gesloten tussen de managementvennootschap en de werkvennootschap.

Op die manier hebben de beroepsrechters de eigen rechtspersoonlijkheid van de managementvennootschap en het bestaan van de dienstverleningsovereenkomst miskend. Hun beslissing is dan ook niet naar recht verantwoord.
Aangezien de fiscus niet heeft aangetoond dat de managementovereenkomst en de gesloten dienstverleningsovereenkomsten gesimuleerd zijn, kan de licentievergoeding niet worden belast als een bedrijfsleidersbezoldiging.

Conclusie

Het cassatiearrest bevestigt duidelijk dat zonder bewezen simulatie het bestaan van een vennootschap niet kan worden genegeerd. En dat de fiscus rekening moet houden met de juridische realiteit.

Beroept de fiscus zich op simulatie, dan moet zij aantonen dat de belastingplichtige niet alle gevolgen van het bestaan van de eigen vennootschap aanvaardt. In dit geval had de fiscus moeten aantonen dat mevrouw zelf handelde alsof ze geen eigen vennootschap had, bv. door in eigen naam documenten te tekenen die ze in naam van haar vennootschap had moeten tekenen, of door inkomsten voor de vennootschap rechtstreeks naar haar eigen rekening te laten overschrijven.

Het cassatiearrest heeft ook zijn belang voor wat de toerekenbaarheid van handelingen aan een rechtspersoon betreft. Het is evident dat een rechtspersoon uitsluitend door toedoen van natuurlijke personen kan handelen. Fysiek verricht de dame wel de prestaties, maar juridisch doet haar vennootschap dat. De vennootschap heeft een eigen rechtspersoonlijkheid. Wanneer de belastingplichtige het onderscheid tussen zichzelf en de vennootschap respecteert, dan hebben de handelingen die hij voor rekening van die vennootschap stelt, geen implicaties voor zijn eigen fiscale toestand.