Toekomstige dividenduitkeringen worden ook betrokken in de zoektocht van de regering naar extra inkomsten. De regering De Wever zal de tarieven verhogen op de toekomstige voordelige dividenduitkeringen via VVPRbis en op de uitkeringen uit liquidatiereserves door vennootschappen in going concern. De stemming was gepland op 25 maart 2026, maar werd via een motie tot wijziging van de agenda uitgesteld, omdat het advies van de NAR (Nationale Arbeidsraad) nog niet binnen is. De stemming zal opnieuw op de agenda worden geplaatst (zodra het advies van de NAR beschikbaar is) op de eerste plenaire vergadering van april 2026.

Verhoging VVPRbis van 15% naar 18% ten vroegste vanaf 1 mei 2026

Heeft u nog meer fiscale informatie nodig? Volg onze Fiscale Club.

1. Uitkeringen VVPRbis

Vennootschappen kunnen onder bepaalde voorwaarden (art. 269 § 2 WIB 1992) een verlaagd tarief op roerende voorheffing toepassen bij dividenduitkeringen aan inbrengen in geld gedaan na 1 juli 2013.

Tot nu toe konden kleine vennootschappen dividenden toekennen uit de winstverdeling vanaf het derde boekjaar volgend op dat van de inbreng, tegen 15% roerende voorheffing.

Volgens het ontwerp van Programmawet DOC 56-1378/001 zal dat RV tarief (bij dividenduitkering uit de winstverdeling vanaf het derde boekjaar na dat van inbreng) stijgen van 15% naar 18%.

Door deze verhoging van het RV-tarief zal de gecombineerde belastingdruk op winstuitkeringen (vennootschapsbelasting + roerende voorheffing) stijgen naar respectievelijk 34,4% en 38,50%.

Vervroegde uitkeringen door middel van een tussentijds dividend (uit overgedragen winst en beschikbare reserves) en/of een interimdividend (uit winst van het lopende boekjaar) zijn zeker te overwegen! Zorg dat de aangifte roerende voorheffing 273 A en de betaling van de roerende voorheffing gebeurd is binnen de 15 kalenderdagen na toekenning van dat tussentijds dividend/interimdividend. En vergeet niet de nodige test(en) (balanstest (+liquiditeitstest)) op te maken ingeval van een NV, BV of CV.

2. Verhoging VVPRbis van 15% naar 18% ten vroegste vanaf 1 mei 2026

De eindstemming van de nieuwe programmawet (met o.a. de RV-verhoging van 15% naar 18% in VVPRbis) stond ingepland op donderdag 26 maart 2026 in de plenaire vergadering van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Maar die stemming is uitgesteld tot na 1 april 2026. Waardoor de wet niet zal starten op 1 april 2026 maar en vroegste op 1 mei 2026.

Hoezo? Op woensdagvoormiddag 25 maart 2026 heeft de plenaire vergadering Kamer van Volksvertegenwoordigers unaniem een door de PS ingediende “ordemotie” aangenomen t.a.v. de centenindex die vervat zit in de nieuwe programmawet.

De regering heeft over het luik van de centenindex in de programmawet pas op 1 maart 2026 het advies gevraagd aan de Nationale Arbeidsraad (NAR). De Nationale Arbeidsraad heeft 30 dagen de tijd om haar advies te verstrekken. Op heden was dat advies nog niet binnen. Daarom vonden de kamerleden het niet kunnen om nu reeds de programmawet te stemmen zonder het advies van de NAR af te wachten.

De motie van de PS werd unaniem aangenomen in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. De eindstemming van de programmawet is daardoor uitgesteld tot na 1 april 2026 (dus tot na de vervaltermijn voor het advies van de NAR).

De publicatie van de programmawet kan dus ten vroegste in april 2026 gebeuren, waardoor de wet ten vroegste op 1 mei 2026 zal starten. Bijgevolg zal de verhoging van het tarief van de roerende voorheffing in het kader van VVPRbis van 15% naar 18% pas in werking treden ten vroegste vanaf 1 mei 2026.

Kleine vennootschappen kunnen dus nog zeker tot en met 30 april 2026 uitkeringen doen van VVPRbis dividenden tegen het huidige tarief van 15% RV.

De nieuwe programmawet zal pas in april 2026 worden gestemd en in het Belgisch Staatsblad worden gepubliceerd. Aangezien de wet in werking gaat op de eerste dag van de maand na publicatie, zal de programmawet ten vroegste op 1 mei 2026 in werking treden. Tenzij er nog vertragingen optreden.

3. Uitkeringen uit liquidatiereserves

Kleine vennootschappen (volgens de groottecriteria van art. 1:24 §§ 1 – 6 WVV) kunnen bij de resultaatbestemming ervoor opteren om een liquidatiereserve aan te leggen uit de boekhoudkundige winst van het boekjaar. Zij betalen hierbij de gebruikelijke 10% anticipatieve heffing aan vennootschapsbelasting.

De Programmawet voorzag in speciale RV tarieven ingeval uitkering dividend uit liquidatiereserves going concern, waarbij de tarieven verschilden naargelang de liquidatiereserves aangelegd werden vóór dan wel vanaf 1 januari 2026. 

Het begrotingsakkoord behoudt dat onderscheid tussen 'oude' regeling en 'nieuwe' regeling maar het scharniermoment ligt niet langer op 1 januari 2026 maar op 31 december 2025

Bovendien zal bij uitkering van liquidatiereserves aangelegd vanaf 31 december 2025, bij uitkering ervan in going concern na de 3 jarige behoudtermijn de belastingdruk stijgen van 15% naar 18%. Op die manier zal de belastingdruk even hoog zijn als bij een VVPRbis uitkering na 3 jaar. Die belastingdruk van 18% zal dan bestaan uit de combinatie van 10% anticipatieve heffing aan vennootschapsbelasting bij aanleg en 9,8% roerende voorheffing bij uitkering na 3 jaar behoud van die liquidatiereserve.  De verhoging van 6,5% RV naar 9,8% RV zal niet van toepassing zijn op de liquidatiereserves aangelegd tot en met  30 december 2025. 

Liquidatiereserve aangelegd voor boekjaren die afsluiten uiterlijk 30 december 2025:

  • uitkering binnen 3 jaar: 20% RV
  • uitkering meer dan 3 jaar maar binnen 5 jaar: 6,5% RV
  • uitkering meer dan 5 jaar: 5% RV 

Liquidatiereserve aangelegd voor boekjaren die afsluiten vanaf 31 december 2025 : 

  • uitkering binnen 3 jaar: 30% RV 
  • uitkering meer dan 3 jaar: 9,8% RV (ipv huidig 6,5%).

Wie dus een boekjaar heeft gelijklopend met een kalenderjaar, zal voor de aanleg op 31.12.2025 (bij beslissing algemene vergadering in 2026) met zijn liquidatiereserve al in de nieuwe regeling zitten. Bovenop de 10% anticipatieve heffing n.a.v. aanleg, zal de liquidatiereserve na een behoud van minstens drie jaar kunnen uitgekeerd worden tegen een verlaagd RV-tarief van 9,8%. Bij eerdere uitkeringen blijft het tarief van 30% RV van toepassing. Uitkeringen van liquidatiereserves n.a.v. de ontbinding van de vennootschap blijven volledig vrijgesteld van RV.

Door deze verhoging van het RV-tarief zal de gecombineerde belastingdruk op winstuitkeringen (vennootschapsbelasting + roerende voorheffing) stijgen:

De nieuwe verhogingen van de belasting op toekomstige uitkeringen onder VVPRbis en op liquidatiereserves zijn algemeen van toepassing. Het maakt dus geen verschil of het om een gewone operationele vennootschap of een managementvennootschap gaat!