Toekomstige dividenduitkeringen worden ook betrokken in de zoektocht van de regering naar extra inkomsten. De regering De Wever zal de tarieven verhogen op de toekomstige voordelige dividenduitkeringen via VVPRbis en op de uitkeringen uit liquidatiereserves door vennootschappen in going concern. Dit zal gebeuren via een programmawet die in het voorjaar van 2026 de gebruikelijke parlementaire weg volgt.

Heeft u nog meer fiscale informatie nodig? Volg onze Fiscale Club.
1. Uitkeringen VVPRbis
Vennootschappen kunnen onder bepaalde voorwaarden (art. 269 § 2 WIB 1992) een verlaagd tarief op roerende voorheffing toepassen bij dividenduitkeringen aan inbrengen in geld gedaan na 1 juli 2013.
Tot nu toe konden kleine vennootschappen dividenden toekennen uit de winstverdeling vanaf het derde boekjaar volgend op dat van de inbreng, tegen 15% roerende voorheffing.
Volgens het begrotingsakkoord zal dat RV tarief (bij dividenduitkering uit de winstverdeling vanaf het derde boekjaar na dat van inbreng) stijgen van 15% naar 18%. Dit zou gebeuren met een Programmawet die in werking zal treden op de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking van die wet in het Belgische Staatsblad.
Door deze verhoging van het RV-tarief zal de gecombineerde belastingdruk op winstuitkeringen (vennootschapsbelasting + roerende voorheffing) stijgen naar respectievelijk 34,4% en 38,50%.

2. Uitkeringen uit liquidatiereserves
Kleine vennootschappen (volgens de groottecriteria van art. 1:24 §§ 1 – 6 WVV) kunnen bij de resultaatbestemming ervoor opteren om een liquidatiereserve aan te leggen uit de boekhoudkundige winst van het boekjaar. Zij betalen hierbij de gebruikelijke 10% anticipatieve heffing aan vennootschapsbelasting.
De Programmawet voorzag in speciale RV tarieven ingeval uitkering dividend uit liquidatiereserves going concern, waarbij de tarieven verschilden naargelang de liquidatiereserves aangelegd werden vóór dan wel vanaf 1 januari 2026.
Het begrotingsakkoord behoudt dat onderscheid tussen 'oude' regeling en 'nieuwe' regeling maar het scharniermoment ligt niet langer op 1 januari 2026 maar op 31 december 2025.
Bovendien zal bij uitkering van liquidatiereserves aangelegd vanaf 31 december 2025, bij uitkering ervan in going concern na de 3 jarige behoudtermijn de belastingdruk stijgen van 15% naar 18%. Op die manier zal de belastingdruk even hoog zijn als bij een VVPRbis uitkering na 3 jaar. Die belastingdruk van 18% zal dan bestaan uit de combinatie van 10% anticipatieve heffing aan vennootschapsbelasting bij aanleg en 9,8% roerende voorheffing bij uitkering na 3 jaar behoud van die liquidatiereserve. De verhoging van 6,5% RV naar 9,8% RV zal niet van toepassing zijn op de liquidatiereserves aangelegd tot en met 30 december 2025.
Liquidatiereserve aangelegd voor boekjaren die afsluiten uiterlijk 30 december 2025:
- uitkering binnen 3 jaar: 20% RV
- uitkering meer dan 3 jaar maar binnen 5 jaar: 6,5% RV
- uitkering meer dan 5 jaar: 5% RV
Liquidatiereserve aangelegd voor boekjaren die afsluiten vanaf 31 december 2025 :
- uitkering binnen 3 jaar: 30% RV
- uitkering meer dan 3 jaar: 9,8% RV (ipv huidig 6,5%).
Wie dus een boekjaar heeft gelijklopend met een kalenderjaar, zal voor de aanleg op 31.12.2025 (bij beslissing algemene vergadering in 2026) met zijn liquidatiereserve al in de nieuwe regeling zitten. Bovenop de 10% anticipatieve heffing n.a.v. aanleg, zal de liquidatiereserve na een behoud van minstens drie jaar kunnen uitgekeerd worden tegen een verlaagd RV-tarief van 9,8%. Bij eerdere uitkeringen blijft het tarief van 30% RV van toepassing. Uitkeringen van liquidatiereserves n.a.v. de ontbinding van de vennootschap blijven volledig vrijgesteld van RV.
Door deze verhoging van het RV-tarief zal de gecombineerde belastingdruk op winstuitkeringen (vennootschapsbelasting + roerende voorheffing) stijgen :
