Binnenkort beginnen wij massaal met het invullen van de aangiften in de personenbelasting voor aanslagjaar 2020. De kans op het maken van fouten is reëel gezien het grote volume en de tijdsdruk waarbinnen alles moet afgehandeld worden. Kunt u gemaakte invulfouten later alsnog rechtzetten via een ambtshalve ontheffing omwille van een materiële vergissing?

Het begrip ‘materiële vergissing’ wordt door de belastingadministratie erg restrictief toegepast, zeker wanneer het gaat om loutere weglatingen.

Ambtshalve ontheffing bij foutieve opgave van burgerlijke stand in PB aangifte

Volgens vaststaande rechtspraak is een materiële vergissing een feitelijke vergissing die voortvloeit uit een misvatting omtrent het bestaan van materiële gegevens bij ontstentenis waarvan de aanslag wettelijke grondslag mist (Cass. 23 juni 1997,  Cass. 10 november 1997 en Cass. 23 januari 2004). Het gaat om schrijf- of rekenfouten of andere grove feitelijke vergissingen die onafhankelijk van enige juridische beoordeling worden begaan. Vergetelheden worden meestal niet aanvaard als materiële vergissingen.

Het Gentse hof van beroep stelde zich soepel op door te oordelen dat een foutieve opgave van de burgerlijke staat van een belastingplichtige in de aangifte personenbelasting kwalificeert als een materiële vergissing die buiten de bezwaartermijn kan worden rechtgezet.

Materiële vergissing

In bepaalde gevallen kan een overbelasting na het verstrijken van de bezwaartermijn nog worden geremedieerd via de procedure van ontheffing van ambtswege (Com.IB92, 376/2).

Krachtens art. 376, § 1 WIB92 wordt er een ambtshalve ontheffing verleend van de overbelastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting, alsmede van die welke zouden blijken uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen en op voorwaarde dat:

  1. die overbelastingen door de administratie werden vastgesteld of door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, aan de administratie werden bekendgemaakt binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd;
  2. de aanslag niet reeds het voorwerp is geweest van een bezwaarschrift, dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing nopens de grond.

Arrest van Hof van beroep Gent, 3 december 2019  (rolnr. 2018/AR/1898)

Het Gentse hof van beroep stelde zich soepel op door te oordelen dat een foutieve opgave van de burgerlijke staat van een belastingplichtige in de aangifte personenbelasting kwalificeert als een materiële vergissing die buiten de bezwaartermijn kan worden rechtgezet

In casu leefde een echtpaar sinds 2011 feitelijk gescheiden. De feitelijke scheiding mondde in 2016 finaal uit in een echtscheiding. De gevolmachtigde accountant vulde in de aangifte in de personenbelasting in het vak “persoonlijke gegevens en gezinslasten” echter foutieve gegevens in.

Voor aanslagjaar 2012 vermeldde de accountant terecht dat beide belastingplichtigen feitelijk gescheiden waren sinds 2011. Maar in de aangifte voor het daaropvolgende aanslagjaar 2013 vulde hij echter dezelfde code in wat neer kwam op “feitelijk gescheiden sinds in 2012”. Tot overmaat van ramp werd in de aangifte voor aanslagjaar 2014 aangegeven dat beide belastingplichtigen gehuwd waren.

Bij een fiscale controle ondertekent de man een akkoordverklaring waardoor zijn belastbare baten voor de aanslagjaren 2013 en 2014 werden verhoogd. Voor beide aanslagjaren werd op naam van beide echtgenoten een belastingsupplement ingekohierd.
De vrouw tekende laattijdig bezwaar aan tegen de supplementaire aanslagen voor aanslagjaren 2013 en 2014. Zij stelde dat zij sedert 2011 feitelijk gescheiden leeft van haar man, wat bleek uit de afzonderlijke huisvesting, en voerde aan dat zijzelf geen bijkomende personenbelasting is verschuldigd omdat de fiscus afzonderlijke taxaties had moeten vestigen.

De administratie verwierp het bezwaarschrift als onontvankelijk wegens laattijdigheid en stelde dat er geen reden is om over te gaan tot een ambtshalve ontheffing bij toepassing van artikel 376 WIB92.

De fiscale rechtbank te Brugge volgde de administratie. De verkeerde opgave van de burgerlijke stand in de aangifte kwalificeert niet als een materiële vergissing en bevestigt de gezamenlijke taxaties (Rb. Brugge 28 februari 2018).

Maar het hof van beroep te Gent vernietigt dat vonnis en vindt dat de vrouw wel degelijk aanspraak kan maken op een ambtshalve ontheffing.

Het hof van beroep te Gent stelt dat - ongeacht wie de aangifte heeft ingevuld - de burgerlijke staat van een persoon een feitelijk gegeven is. Wanneer de belastingplichtige kan aantonen dat omtrent dit feitelijk gegeven werd gedwaald, is er sprake van een feitelijke vergissing die het gevolg is van een misvatting over het bestaan van een materieel element.

Volgens het hof zou de belasting elke wettelijke grondslag missen, en zou het realiteitsbeginsel geschonden zijn, wanneer deze wordt gevestigd op grond van een bewezen incorrecte burgerlijke stand. Aan het verkeerd opgeven van de burgerlijke stand van belastingplichtigen ligt in principe geen juridische interpretatie van de wet ten grondslag.

Uit de concrete gegevens van het dossier bleek volgens het hof duidelijk dat de belastingplichtigen sedert 2011 feitelijk gescheiden leefden met de afzonderlijke huisvesting.

Het hof van beroep beslist dat de administratie op grond van artikel 376 WIB92 aan de belastingplichtige een ambtshalve ontheffing moet verlenen van de overbelasting die het gevolg is van de materiële vergissing. Concreet beveelt het hof de vestiging van afzonderlijke aanslagen in toepassing van art. 126 § 2, 2° WIB92 aan.

Onze video's

Nieuw: Live webinars voor de clubs