De wet tot hervorming van de vennootschapsbelasting voorzag vanaf aanslagjaar 2019 (verbonden aan een boekjaar dat ten vroegste aanvangt op 1.01.2018) dat vennootschappen een afzonderlijke heffing van 5,1% vennootschapsbelasting verschuldigd waren op het tekort aan toegekende bedrijfsleidersbezoldiging in vergelijking met het minimaal toe te kennen bedrag (art. 219quinquies WIB 1992).

Deze maatregel was disproportioneel en voorzag in een dubbele sanctie, namelijk het verlies van het verlaagd tarief enerzijds en een bijkomende sanctie van 5,1% op het bezoldingingstekort anderzijds. Dat was van het goeie teveel. Het is deze tweede sactie die op 4 april 2019 door de plenaire vergadering van de Kamer retroactief werd ingetrokken.

Lees meer