Het onderscheid tussen terbeschikkingstelling door rechtspersonen en door natuurlijke personen bij de forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard woning is discriminerend en ongrondwettelijk. In die mate dat het voordeel op een hoger bedrag moet worden gewaardeerd als het een rechtspersoon is die het gebouw ter beschikking stelt. Dat zeggen zowel het hof van beroep te Gent (Gent, 24 mei 2016 ) als het hof van beroep te Antwerpen (Antwerpen 24 januari 2017).

Voordeel alle aard woning

Forfaitaire waardering in functie van KI

De vastgestelde forfaitaire waarderingsregels voor kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen zijn opgenomen in artikel 18 KB/WIB 1992.

Ter beschikkingstelling door een natuurlijk persoon

VAA = geïndexeerd kadastraal inkomen x 100/60

Ter beschikkingstelling door een rechtspersoon

niet-geïndexeerde KI ≤ 745 EUR: VAA =  geïndexeerd kadastraal inkomen x 100/60 x 1,25

niet-geïndexeerde  KI > 745 EUR: VAA = geïndexeerd kadastraal inkomen x 100/60 x 3,8

Het belastbaar voordeel van alle aard uit de kosteloze terbeschikkingstelling van gebouwen wordt dus hoger gewaardeerd als een rechtspersoon het onroerend goed ter beschikking stelt t.o.v. een fysieke persoon: het belastbaar voordeel, zoals van toepassing bij terbeschikkingstelling door een natuurlijk persoon, moet nog worden vermenigvuldigd met factor 1,25 of 3,8.

Arrest van hof van beroep te Gent, 24 mei 2016

In het arrest van 24 mei 2016 stelde het hof van beroep te Gent reeds dat deze hogere waardering van het voordeel niet verenigbaar is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel bij gebrek  aan een redelijke en objectieve verantwoording voor de onderscheid in waardering. Met als gevolg dat het Gentse hof de aanslag vernietigde in de mate waarin toepassing was gemaakt van de waarderingsregel voor de terbeschikkingstelling door een rechtspersoon. Het voordeel woning voor de betrokken bedrijfsleider diende dus herleid te worden tot het geïndexeerd KI x 100/60.

Arrest van Hof van beroep van Antwerpen, 24 januari 2017

Aanleiding voor het nieuwe arrest was een vennootschap die het vruchtgebruik van een gebouw bezat. De vennootschap liet 75% van dit gebouw gratis door haar zaakvoerder voor privé-doeleinden gebruiken. In zijn aangifte in de personenbelasting gaf de zaakvoerder een  voordeel van alle aard aan van 7 200,00 EUR conform de waarderingsregel voor gebouwen ter beschikking gesteld door een rechtspersoon. (VAA = geïndexeerd KI x 100/60 x 2 voor aanslagjaar 2012). Nadien beweerde de bedrijfsleider dat hij zich gediscrimineerd voelde in vergelijking met belastingplichtigen die een gebouw voor privégebruik ter beschikking krijgen van een natuurlijk persoon. De bedrijfsleider betaalde namelijk twee keer zoveel belastingen t.o.v. die andere situatie. Hij ging in bezwaar.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen gaf de bedrijfsleider ongelijk en vond dat er wel een objectieve verantwoording voor het onderscheid bestond (Rb. Antwerpen, 6 januari 2016).

Maar het hof te Antwerpen oordeelt er anders over en geeft de bedrijfsleider gelijk.

Het feit dat de bedrijfsleider eerst zelf gewoon het voordeel gewaardeerd had zoals voorgeschreven door de bestaande fiscale wetgeving is geen beletsel om deze waardering nadien aan te vechten, in de mate dat hij een dwaling in feite of in rechte kan aantonen. En in casu aanvaardt het hof dat er sprake is van een dergelijke dwaling in rechte, aangezien de afwijkende waarderingsregel ongrondwettelijk is. Het hof komt tot deze conclusie op basis van de volgende redenering.

Er is géén redelijke en objectieve verantwoording voor het gemaakte onderscheid terug te vinden in de tekst van het KB/WIB 1992 noch in de aanhef van de KB's die de onderscheiden waardering destijds hebben ingevoerd in het KB/WIB 1992. Omdat er bij deze KB’s geen Verslag aan de Koning was gevoegd kon daar kan ook geen verantwoording worden afgeleid.

De administratie probeerde zelf een verantwoording te geven voor het onderscheid in waardering naargelang de terbeschikkingstelling door een rechtspersoon of een natuurlijk persoon gebeurt. Volgens de administratie is het onderscheid afhankelijk gemaakt van diegene die het onroerend goed ter beschikking stelt en dat in principe enkel de kaderleden en de bedrijfsleiders de verhoogde forfaitaire berekening van het voordeel van alle aard ondergaan.

Het hof van beroep van Antwerpen is niet overtuigd door de redenering van de administratie. De wettekst (art. 18 KB/WIB92) zelf maakt enkel een onderscheid tussen rechtspersonen en natuurlijke personen, niet tussen kaderleden/bedrijfsleiders en gewone werknemers. De redenering van de administratie wordt door het Hof bestempeld als ingewikkeld met tal van niet evidente subredeneringen. Het Hof schuift de redenering van de administratie opzij.

De bedrijfsleider in kwestie heeft afdoende aangetoond dat hij oorspronkelijk in zijn aangifte personenbelasting een dwaling in rechte heeft begaan door toepassing te maken van een waarderingsregel die ongrondwettelijk is. De regel leidt tot een nadeligere regeling voor de raming van het voordeel van alle aard omdat het voordeel verstrekt wordt door een rechtspersoon, terwijl deze regeling niet door een objectieve en redelijke verantwoording wordt gedragen.

En aangezien de hoven en rechtbanken besluiten en verordeningen alleen mogen toepassen voor zover zij met de wetten overeenstemmen (art. 159 Grondwet), beslist het hof van beroep van Antwerpen dat de aanslag moet worden vernietigd in zoverre die aanslag het voordeel van alle aard belast zoals vastgesteld volgens de regels voorzien voor onroerend goed dat ter beschikking wordt gesteld door een rechtspersoon. In de praktijk wil dat zeggen dat het voordeel van alle aard berekend moet worden alsof de woning ter beschikking gesteld is door een natuurlijke persoon, dus op basis van het geïndexeerde KI x 100/60.

Conclusie

Zowel volgens het hof te Gent als het hof te Antwerpen is de hogere waardering voor het geval het gebouw ter beschikking wordt gesteld door een rechtspersoon strijdig met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel. Deze hogere waardering mag dus niet worden toegepast. Dat de bedrijfsleider zelf eerst de hogere waardering heeft toegepast in zijn aangifte, kan hem niet worden verweten: er is dan immers sprake van een dwaling in rechte.

Alle bedrijfsleiders die een woning van hun vennootschap privé gebruiken die tegen bovenvermelde discriminerende regeling willen ageren hebben er alle belang bij om een bezwaarschrift in te dienen zolang de bezwaartermijn nog open staat. Een ontheffing van ambtswege is niet mogelijk omdat nieuwe rechtspraak geen nieuw feit uitmaakt (art. 376 § 2 WIB 92).

De kans is reëel dat er een golf van geschillen zal volgen…

Wilt u op de hoogte blijven van de fiscale actualiteit?

De fiscale club is een driemaandelijkse praktijkgerichte bespreking van de fiscale actualiteit inzake personenbelasting en vennootschapsbelasting.
De sprekers zijn Wim Van Kerchove en Tim Galloo.

Als clublid heeft u online toegang tot rekentools, praktijkgidsen, documentatie... 
Bovendien geniet u van gratis catering op alle seminaries.

Bekijk het overzicht van onze 12 fiscale clubs op 10 locaties